Mineralogisch-Geologisch Museum |
|
In een van de mooiste gebouwen van de Technische Universiteit Delft was de Afdeling Technische Aardwetenschappen gehuisvest. In een van de vleugels van dit prachtige gebouw bevond zich het Mineralogisch-Geologisch Museum.
In de vitrines stonden unieke heldere kwartskristallen, vuistgrote paarse fluorietkubussen, doorzichtige gipskristallen van bijna een halve meter lang, en vele minder bekende mineralen met uitbundige kleuren en vormen. Er lagen gesteenten die verhalen vertellen uit de geschiedenis van de aarde, maar ook zeldzame metallisch glimmende ertsen van zilver, lood, zink, koper, goud en vele andere metalen, vaak afkomstig uit mijnen die nu allang niet meer bestaan. Er stond een enorme schedel van de Triceratops - een dinosaurus, een afdruk van de Archaeopteryx - de eerste vogel, en het skelet van een Dodo, een loopvogel die door de mens is uitgeroeid. In de laden lagen wetenschappelijke referentiecollecties van mineralen, ertsen en gesteenten uit alle delen van de wereld.
Studenten en docenten Technische Aardwetenschappen gebruikten de collecties voor het onderwijs in de mineralogie en de delfstofkunde.
Het Mineralogisch-Geologisch Museum is gehuisvest in het gebouw van de afdeling Technische Aardwetenschappen, faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen, van de Technische Universiteit Delft. De geschiedenis van het museum is direct gerelateerd aan de geschiedenis van de opleiding Technische Aardwetenschappen. Deze opleiding startte in 1842 onder de naam Mijnbouwkunde. In 1912 kreeg de opleiding een eigen pand aan de Mijnbouwstraat in Delft. In dit pand werd een deel gereserveerd voor het museum. Vele Delftenaren noemen het museum dan ook wel het "mijnbouwmuseum".
In 1842 werd in Delft de "Koninklijke Academie ter opleiding van burgerlijke ingenieurs" opgericht. Deze Academie omvatte een aantal opleidingen waaronder de opleiding tot mijnbouwkundig ingenieur. Deze Koninklijke Academie ging via de Polytechnische School en de Technische Hoogeschool over in de huidige Technische Universiteit.
Bij de oprichting van de Academie in 1842 werd professor Bleekrode, een medicus, aangesteld om de studie Mijnbouwkunde te organiseren. Hij werd in 1864 opgevolgd door professor Vogelsang. Dit was de eerste hoogleraar die zelf uit het mijnwezen kwam, dus de eerste hoogleraar met mijnbouwkundige kennis en ervaring. Onder zijn leiding kwam een gedegen opleiding mijnbouwkunde tot stand. Vogelsang was van mening dat een studie mijnbouwkunde niet mogelijk was zonder een studiecollectie mineralen, gesteenten, fossielen, ertsen en andere geologische objecten. Hij begon een verzameling aan te leggen, de basis van het huidige museum. Vanaf dat moment werd door medewerkers en studenten veel materiaal verzameld tijdens excursies, stages en veldwerken. De collectie groeide gestaag. In 1905 werd professor Molengraaff aangesteld als hoogleraar. Tijdens de vele expedities die hij leidde werd zeer veel materiaal verzameld. Toen in 1912 het pand aan de Mijnbouwstraat betrokken werd was de collectie al zo groot dat een drie verdiepingen tellende vleugel van het gebouw ingericht werd als museum.
De aanwezige aardwetenschappelijke collecties weerspiegelen het geologisch onderwijs dat aan de afdeling Technische Aardwetenschappen gegeven wordt. Sinds 1842 heeft het onderwijs veel veranderingen meegemaakt. Ook het belang van enkele studiecollecties veranderde hierdoor. De collecties die verzameld zijn in onze voormalige koloniën, als ook de collectie fossielen, verloren hun belang voor de studie. Deze collecties zijn overgebracht naar het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis te Leiden waar zij in goede handen zijn. De overgebleven collecties, de collecties Systematische Mineralogie, Algemene Geologie, Gesteenten en Ertsen worden in de expositieruimte tentoongesteld volgens internationaal gebruikte classificatie systemen en hebben onder andere tot doel het aardwetenschappelijk onderwijs dat door de faculteit verzorgd wordt te ondersteunen.