Machiel van Soest
Skin-paintings

Skin-paintings — NL

Tekst bij de reeks huidschilderijen / huid-monochromen.

Oorsprong en Beweegreden

De huidschilderijen zijn voortgekomen uit een intense, bijna starende manier van kijken. In oude schilderijen verschijnt het incarnaat als een geheimzinnige verflaag: vlees geworden verf. Gegrepen daardoor richtte het kijken zich op het eigen lichaam, op de huid als grensvlak tussen binnen en buiten. De eigen kwetsbare pols: de dunne huid, bijna doorschijnend.

Ook aanraking speelt mee: de herinnering aan de huid van de moeder, de geborgenheid van het eerste lichamelijke contact als kind. Later kwam daar het eigen kind bij: de ongeschonden huid als spiegel van kwetsbaarheid én begin. Vanuit dat intieme, lichamelijke uitgangspunt ontstond het verlangen om de huid zélf te laten verschijnen als schilderij—een beeld dat niet iets voorstelt, maar iets is.

Wat het is

Deze werken worden aangeduid als huid-monochromen of huidschilderijen: monochrome schilderijen die verschijnen als een geïsoleerde "huid". Het werk gedraagt zich niet als venster of afbeelding, maar als frontaal oppervlak, waarbij de huid zich manifesteert als pure aanwezigheid. De menselijke maat is daarbij bepalend; de staande, lichaamsgerelateerde maatvoering roept een mens-gevoel op en brengt de toeschouwer in confrontatie met de 'ander' op ooghoogte. Deze object-werking betekent dat het schilderij niet alleen functioneert als beeld, maar ook als een aanwezigheid in de ruimte.

Beeldelementen

Elk werk toont één dominante monochrome kleurtoon die een duidelijke associatie heeft met huidskleur. Deze variatie werkt als een soort portret: sommige werken zijn "chubby" en vol, andere strakker en vlakker; bij sommige zijn duidelijke aders zichtbaar, andere tonen juist een "perfecte huid". Het kleurspectrum van huid strekt zich uit van vaal geel tot blozend roze en rood, warme tinten met alle nuances daartussen afgewisseld met koud grijs, blauw-groen. De huid-topografie wordt zichtbaar in microstructuren die lezen als poriën, adering en tekens, waarin rimpeling, spanning en verdikking samenkomen. Het monochroom is bewust niet-perfect vlak: het is niet steriel, maar toont "accident", onrust en onregelmatigheid. Bovendien wekt het werk een subtiel convexe indruk, alsof het licht bolt als een lichaam in plaats van puur plat te blijven. Het schilderij bolt in de fysieke ruimte en 'voelt' als zintuig de toeschouwer. Deze aura versterkt de huid-associatie verder.

Materiaal, drager en objectbouw

Als basis dient het doek op spieraam: de klassieke schilderdrager, hier ingezet als anatomische spanning. Het huid-schilderij wordt een constructie waarin het opgespannen oppervlak verwijst naar een lichaamslogica: het raamwerk als skelet, de huid als omhulsel. Waarnaar gekeken wordt is de verfhuid—met daaronder de suggestie van een verborgen lichamelijkheid, alsof het werk als levend organisme mee resoneert. Meerdere transparante verflagen bouwen het schilderij op en versterken de huid-illusie van lichte doorschijnendheid. De drager kan traditioneel doek zijn, maar ook zeem of leer; in een aantal skinpaintings worden daarnaast imitatie- en kunstleermaterialen ingezet, zoals skai, shammy of imitation leather. Afwerking en materialiteit verschuiven het werk richting tastbaarheid, waardoor het schilderij oscilleert tussen beeldvlak en sculpturaal object.

Betekenisruimte

De skinpaintings onderzoeken de voor-voorstelling, de drempel vóór het beeld: de huid of het vlies functioneert als zintuiglijke voorwaarde voor gewaarwording, nog vóór herkenning, interpretatie of verhaal. Daarmee zoomen ze niet in op een afgebeelde voorstelling, maar op het moment vlak vóórdat voorstelling kan ontstaan. De beelding gebeurt buiten het schilderij: het schilderij is geen drager van een scène, maar een membraan of scherm, en wat "beeld" wordt voltrekt zich als waarneming en projectie bij de kijker en in de ruimte rondom het object, niet als voorstelling ín het vlak. Ze willen functioneren op het niveau van gewaarwording vóór betekenis, in de ervaring eerder dan in het narratief. Betekenis ontstaat doordat waarneming associaties oproept uit projectie en geheugen, en is daarom nooit eenduidig.

Continuüm

Het huidmonochroom biedt een betekenisruimte: een veld waarin licht "landt" en materie "indrukt", waar jeuk en kieteling, gezondheid en ziekte, pijn en genot, schaamte en opwinding, angst en bleekheid—tot aan dood toe—kunnen resoneren zonder afgebeeld te worden. Huid functioneert als grens én raakvlak, waarin binnen en buiten, bescherming en kwetsbaarheid, contact en afstand samenkomen. Huid wordt zelfs begrepen als kosmische grens: ze markeert de overgang tussen twee oneindigheden, de oneindige ruimte rondom het lichaam die door de huid wordt omsloten, en de oneindige innerlijke gevoelswereld die door diezelfde huid wordt begrensd én toegankelijk wordt gemaakt. Die grens is echter geen absoluut gegeven maar een continuüm: de ervaring van scheiding binnen–buiten is mede een zintuiglijke constructie.

Huid als spectrum

Niet afkomst, ras of een categorie staat centraal, maar de eigen huidskleur als ervaring: een veranderlijke materie die tegelijk fysiek en emotioneel is. Vertrekkend vanuit de directe belevenis omvat huidskleur in die zin "alle kleuren" als spectrum—als menging, voltooiing en totaliteit—omdat huid voortdurend reageert op licht, temperatuur, aanraking, spanning, schaamte, opwinding, angst, vermoeidheid of ziekte. Vanuit dat intieme vertrekpunt maakt het werk vervolgens een schakeling van individu naar massa: van het lichaam naar samenleving, van het kleine naar het grote. In die beweging komen ook begrippen als identiteit, "nationhood" (nationale identiteit) en media in beeld: hoe het persoonlijke wordt gelezen als collectief, hoe huid tot beeld wordt, en hoe beelden van huid circuleren en normeren. Daarmee verwijst de thematiek niet alleen naar het pasgeborene, het ongenaakbare en het maagdelijk-onaanraakbare, maar ook naar leeftijd, virus, ziekte en sterfelijkheid—en, verder weg maar onvermijdelijk verbonden, naar oorlog en natievorming.

Werking op de kijker

De skinpaintings bieden een representatie zonder afbeelding: het is schilderij, maar de beelding blijft op de grens door geen scène te tonen, slechts een toestand. Deze manier van verschijnen trekt aan én stoot af; Je wil ertegenaan leunen, het aanraken. Het oogt zacht, uitnodigend, tactiel. Het is de moeder, de moederhuid. Maar de intimiteit van huid te dichtbij combineert met een fundamenteel ongemak. De huid oogt getekend, met een sensatie van "schijnbaar geweld" en geeft een indruk alsof ze "opgespannen is", wat de perceptie van ingreep (incisie) oproept. Het werk wordt daardoor zowel terugkijkend als terugvoelend: het "sensed" de aanwezigheid van de toeschouwer en gedraagt zich als een soortgenoot, maar tegelijkertijd ook als iets unheimlich.

Monochromie en reductietaal

Monochromie is de kernstrategie van de skinpaintings: een reductie van beeldmiddelen tot één veld. Dit monochroom fungeert als omhullende huid en als scherm, niet alleen als stijlkeuze maar als inhoudelijk principe. Daarmee bestaat er een verwantschap met de reductie- en minimalistische logica, waarin monochromie en herhaling of serialiteit belangrijke middelen zijn, maar de lading is hier anders: lichamelijk, ethisch en emotioneel geladen. In de achtergrond speelt ook het vierkante of staande standaardformaat mee: deze modernistische maat roept gedachten op aan geometrische orde en rationeel bewustzijn, al wordt dit hier direct geconfronteerd met het irrationele en lichamelijke van de huid.

Culturele en historische achtergronden

De skinpaintings zijn diep verankerd in zowel culturele als historische betekenislagen. Cultureel verwijzen ze niet alleen naar het menselijk bestaan, maar ook naar zelfbeeld en identificatie. De huid is daarbij niet in staat om de emotionele binnenwereld te verbergen; door haar transparantie wordt de gemoedstoestand zichtbaar. Daarom dragen we kleding: niet alleen ter bescherming tegen kou en als uitdrukking van verbondenheid met een groep, maar ook om emotionele kwetsbaarheid af te schermen.

Er rust een zware historische schaduw op deze skinpaintings: de associatie met nazi "lampenkappen" van mensenhuid fungeert als unheimliche referentie. Tegelijkertijd speelt er een botsende hedendaagse referentie mee, namelijk die van "IKEA-kunst boven de bank", het handzame formaat en de decoratieve consumptiecultuur. Deze combinatie werkt als een cynische dubbelbodem of een "sick joke": esthetische verleiding botst met historische gruwel, en die spanning wordt niet opgelost. Een huidschilderij kan immers als plezierig, rozeachtig monochroom veilig in de huiskamer hangen, terwijl het tegelijk die gruwelijke echo in zich draagt—juist die schijnbare onschuld maakt de perversiteit van de dubbelheid des te scherper.

Kunsthistorische inbedding

De relatie tot het monochroom als verschijnsel in de beeldende kunst van de 20e eeuw is direct: als grondvorm stelt het monochroom vragen naar beeld en betekenis, naar de werking van één enkele kleur, en naar materiaal, drager en handeling. Malevich’ Black Square fungeert hierbij als icoon-anker: het monochroom verschijnt als een absoluut veld, een ‘scherm’ dat het oog frontaal confronteert met waarneming, nabeeld en projectie—precies doordat voorstelling en verhaal worden teruggeschroefd. Rodchenko levert de modernistische achtergrond, waarin het (vroeg) monochroom als radicale keuze een positie markeert. Rymans White Square geldt vervolgens als referentiepunt binnen de monochrome praktijk, met nadruk op materialiteit, serialiteit en het schilderij als object. In de bredere context blijft het bewustzijn aanwezig dat ook monochrome kunst ideologisch gelezen en misbruikt kan worden; het werk blijft daarom scherp op die spanning staan.

PTP-kader: Pressure, Temperature, Pain

In de huidzintuigen worden drie afzonderlijke systemen onderscheiden—druk, temperatuur en pijn—die elk tot verschillende fenomenologische ervaringen leiden. Rondom de huidschilderijen zijn andere afgeleiden en series ontstaan die onder de constructie van PTP plaats en betekenis krijgen. PTP functioneert zo als interpretatief raster dat het huid-oppervlak koppelt aan zintuig, emotie en context. Als fysieke huid-realiteit verwijst Pressure naar druk op of tegen het oppervlak, naar spanning en compressie; Temperature naar warmte en koude als sensatie en sfeer; Pain naar pijn als signaal van lichaam en grens. Tegelijk biedt PTP een psychische en sociaal-politieke vertaling: Pressure wordt stress, dwang, ideologie en sociale druk; Temperature wordt stemming, affect en atmosfeer; Pain wordt trauma, verlies en historische last.

machielvansoest.nl

Addendum

Interpretaties: zes leesroutes

Onder deze lezingen ligt een intiem vertrekpunt: het starende kijken naar de eigen kwetsbare pols en de herinnering aan huid als eerste geborgenheid—de moederhuid, het eerste lichamelijke contact als kind, en later het eigen kind met de ongeschonden huid als spiegel van begin en kwetsbaarheid. Een fenomenologische lezing (A) begrijpt het schilderij als huid-apparaat dat waarneming onderzoekt: huid als orgaan dat werkelijkheid mede laat bestaan, aanwezigheid en terugkijken als ervaring. Een existentiële lezing (B) plaatst het werk na Auschwitz en richt zich op kwetsbaarheid, vergankelijkheid en corruptie van het mensbeeld, waarbij menselijkheid kan kantelen naar ontmenselijking. Een materiaal-ethische lezing (C) onderzoekt de spanning tussen lampenkap en schilderij: de beladen associatie wordt opgeroepen maar ook begrensd doordat het schilderij blijft, waardoor de kijker in morele spanning blijft staan. Een culturele lezing (D) ziet de botsing tussen dagelijks leven en onzichtbaar trauma, tussen minimalisme en dubbele bodem, waarbij de confrontatie tussen decoratieve consumptie-esthetiek en historische gruwel als motor van betekenis fungeert. Een PTP-lezing (E) gebruikt druk, temperatuur en pijn als brug tussen lichamelijke sensatie, emotionele toestand en maatschappelijke conditie. Een kunsthistorische lezing (F) plaatst het werk in het abstracte idioom, maar wijst erop dat het tegelijk realistisch is doordat het als menselijk huid in de wereld staat, als object en oppervlak.

Motievenlijst: ankerwoorden

Moeder en kind. Schilderij als lichaam, waarin spieraam correspondeert met skelet en huid met oppervlak. Opgespannen, leer, ingreep en littekens. Mate van glans, convexiteit en tactiliteit. Monochroom als scherm en als omhulsel. Aantrekken en afstoten. Terugkijken en de aanwezigheid van de toeschouwer. Abstractie tegenover radicale lichamelijkheid. Projectie en geheugen, waarin betekenis zich manifesteert als instabiel veld. Individu tegenover massa, persoonlijk tegenover collectief. Auschwitz-lampenkap tegenover interieurdesign IKEA. PTP: druk, temperatuur en pijn, zowel fysiek als psychisch.

"Het huid-schilderij zag ik ook sterk in relatie met het zwarte vierkant van Malevich dat op mij doorwerkte als een gesloten oog, een mystieke slaap, blind waar andere zintuigen het overnemen, en ik stelde mij voor dat als het oog zich zou openen dat dat dan een sensitief vlies zou zijn. Een wakker open oog, open voor elke voorstelling."