KARAKACHANSKO KUCHE
De legendarische hond van Bulgarije

 

 


In Bulgarije bestaat een bijzonder oud, maar nagenoeg onbekend ras van kuddebewakende honden. De eigenschappen van dit ras kunnen vergeleken worden met die van de centraal aziatische Owcharka, maar tevens zijn ze zeer uniek.

 
 

 

 

 

 


 

Dit ras is de "Karakachansko kuce", de "Karakachaanse hond" (de ch staat voor de "tsj"-klank), een van de oudst bestaande rassen in Europa, geselecteerd voor de bescherming van het vee (voornamelijk schapen), maar ook geschikt voor bewaking van bezittingen. Net als de andere gedomesticeerde dieren met een soortgelijke geschiedenis, zijn deze honden erg vitaal en passen ze zich aan verschillende omstandigheden aan. Dit is het gevolg van de manier van hun ontwikkeling, die nog dicht bij de natuur staat. De selectie van de mens heeft slechts een leidende hand gehad in deze ontwikkeling, zonder de verbinding met de wilde dieren te verstoren. Zodoende vormen zulke rassen een schakel tussen wilde voorouders en de jonge gecultiveerde rassen.

TRADITIES

De voornaamste rol bij het ontwikkelingsproces van deze hond hadden de Karakachanen, een oud nomadisch herdersvolk, en de gevestigde Bulgaarse herders, bij wie de veefokkerij gebaseerd is op transhumensie. Hierbij verblijven de herders met de kudde de hele zomer op de bergweiden, om pas aan het einde van de herfst terug te keren naar hun dorp in het dal.
Zoals hiervoor al min of meer aangegeven, dankt het ras zijn naam aan de Karakachanen. In de zomermaanden lieten zij hun schapen grazen op de hooggelegen Bulgaarse bergweiden, terwijl zij de winterperiode doorbrachten in het mediterrane deel van Thracië en de kust van de zwarte zee. Op deze manier voorzagen zij hun enorme aantallen schapen het hele jaar door van graasgelegenheid. Aan deze Karakachanen en hun specifieke, ouderwetse veefokkers-tradities danken we tevens de selectie en het behoud van het oudste en meest representieve ras van ruw-wollige schapen, het "tzakel schaap" en het meest primitieve plaatselijke paardenras. Het genotype van de Karakachaanse hond is onvoorwaardelijk even oud als conservatief geselecteerd. Geleid door hun behoefte hebben de Karakachaanse herders een zeer belangrijk aandeel gehad in het behoud van deze kuddebewakingshond, die past bij een aantal specifieke vereisten van de nomadische veefokkers-praktijk.

 
 


HERKOMST

De oorsprong van de Karakachaanse hond is echter in nevelen gehuld. Van de Thraciërs, die de eerste bewoners waren van het huidige Bulgaarse land, is bekend dat zij over enorme kuddes schapen beschikten. Deze kuddes werden bewaakt tegen roofdieren en vreemden door grote plaatselijke honden. In latere tijden zijn er in Bulgarije ook oorlogs- en kudde-bewakingshonden* uit Azië met militaire invasies of met handelskaravanen meegekomen. In de zesde/zevende eeuw arriveerden hier de proto-Bulgaren, die zich op het Balkan-schiereiland vestigden met hun vee en honden. Zij beschikten hoogstwaarschijnlijk over grote honden, die nog steeds gebruikt worden voor bescherming van vee in het berggebied van de Pamir en Hindu-Kusj, en op de Tibetaanse hoogvlakte *. Deze grote honden aangetroffen in het Bulgaarse land, hebben ongetwijfeld deelgenomen aan de vorming van de Karakachaanse hond, die sedertdien een integraal onderdeel is geworden van de veefokkerij in de regio.


*
Met deze honden word waarschijnlijk gedoeld op de centraal aziatische Owcharka. Die de basis vormde voor de Molosser, die veel later evolueerde tot de huidige breed en kortsnuitige honden.
Via Pamir en hindu kusj kwamen de Bulgaren in het in de Kaukasus gelegen gebied van onder andere de Karachai terecht. Tussen de huidige honden daar en de Karakachan bestaat nog steeds veel overeenkomst.

De Tibetaanse Mastiff of Do-Khyi is vaak abusievelijk aangezien als de voorouder van de hedendaagse kuddebewaker. Deze opvatting is achterhaald omdat we nu weten dat de Yaks als werkgever van de Tibethond ongeveer 3000 jaar geleden gedomesticeerd werden, het schaap en de geit daarentegen werden al veel eerder, namelijk meer dan 10000 jaar geleden gedomesticeerd. Als de herders 7000 jaar zonder kuddebewaker konden functioneren, waarom zijn ze er dan toe overgegaan om nog een mond om te voeden erbij te nemen? Lees hier meer!

Hun-Bulgarian tribes were the successors of Scythians by all the culture and consanguinity indications. The basic ethnic reference, the burial rite of Scythians and Huns, was strikingly uniform: the same barrows, burial frames of logs and thick timbers, burial blocks, sacrificial horses etc. The relics of Hun burials are well known on the whole space of the former Scythian territory: on the coast of the Black Sea, along Danube (so called Scythia Minor), in Northern Caucasus and other areas. Rather typical Hun monuments have been excavated on the territory of Kabardino-Balkaria and Karachai-Cherkessia too. Very interesting findings have been made by archeologists near village Kishpek in the valley of river Baksan, in the settlement Baital-Chapkan in Karachai etc. Not much, however, is known about the Koban culture. The scholars do not know, for instance, what language the Kobans spoke before the coming of the steppe and nomad tribes who intermarried with the local inhabitants. At first it was the Scythians who were masters of the Black Sea coast from the 8th to the 3rd centuries B.C. Then they gave way to the Sarmatians (3rd century B.C. to 1st century A.D.), and the Alans (1st to 14th centuries) and also the Bulgarians and Kipchaks. The raids of the new tribes did not lead to the extinction of the Kobans. On the contrary, they adapted to the newcomers. They should not, therefore, be identified with any of the tribes that came here. The Huns, the Mongols, the Pechenegs, the Khazars and the Crimean Tatars have all left their mark, forming, as it were, a series of layers round the local ethnic nucleus.
meer over de karachay en Kafkas en over de honden van de kaukasus.

CULTUREEL ERFGOED

In 1957 werden de landbouw bedrijven door de communistische regering van Bulgarije genationaliseerd. Al de kuddes, melkvee-houderijen en alles wat met bergschapen te maken heeft, werd de eigenaren ontnomen. De periode na 1957 is het ras bijna fataal geworden. De houding van het "socialistische" regime van die tijd was bijzonder vijandig tegenover de karakachaanse honden. Dit gold min of meer ook voor de rest van de inheemse huisdierrassen in het land. Veel van hen verdwenen. Anderen, zoals de Karakachaanse hond, het Karakachaanse päard en schaap werden op de rand van uitsterven gebracht, en dit gevaar bedreigt hen nog steeds. Het verlies van de onschatbare eigenschappen van deze rassen betekend voor de wereld een verlies van nationaal cultureel erfgoed. Talrijke Karakachaanse honden werden door de regering van die tijd doelgericht en herhaaldelijk vernietigd om de initiatieven van individuele boeren te onderdrukken, en ook vanwege de handel in hondenhuiden. Vanaf 1991, na de afschaffing van de staats-veefokkerijen, werden zulke honden, als zij tenminste nog gehouden werden, vaak gedood door vergif, gevangen in strikken en doodgeschoten. En ondanks de meedogenloze vermenging met andere rassen, zoals de St.Bernard, wist men desalniettemin in sommige gebieden in de afgelopen tien tot vijftien jaar een aantal authentieke Karakachaanse honden voor de ondergang te behoeden.


GRIEKEN

Vandaag de dag kan men deze honden aantreffen in de grote en mooie Bulgaarse bergen, Rila, Pirin, Rhodopes en Stara Planina, waar zij worden gebruikt voor de bescherming van talrijke kuddes met vee. Afstammingen van de Karakachaanse honden zijn ook te vinden in sommige buurlanden van Bulgarije, waar de Karakachanen vroeger met hun vee rondtrokken. Dit zijn de landsdelen, die na de eerste Wereldoorlog van Bulgarije werden afgenomen en nu in de republiek Macedonië en Noord-Griekenland liggen. De afgelopen tien jaar zijn er ook veel Grieken Karakachaanse honden in Bulgarije gaan kopen. Deze honden zijn thans opgenomen in het bestand van de "Hellenikos Pimonikos" (Griekse herdershond) en nemen deel aan de fokkerij van dit Griekse ras.

Hierbij valt echter met klem aan te tekenen dat enkele auteurs uit de eerste helft van de twintigste eeuw deze Griekse Herdershond als zuiver wit beschreven, of wit met met citroen- of biscuitkleurige vlekken op het hoofd (Clifford Hubbard, 1947). De Karakachaanse hond werd daarentegen echter steeds beschreven als gevlekt, vooral zwart met witte vlekken of wit met zwarte, grijze of roodachtige vlekken (H.B. Peters, 1934; W. Mironov, 1961).

 
 

 
* (John Zeiner) Het ras is veelkleurig met een voorkeur voor donkere vlekken op wit of witte vlekken op een donkere ondergrond. In de praktijk komen ook grijze honden met witte aftekening voor en wildkleurige honden.
De wildkleur is uit het Aguti gen afkomstig, door mutatie wegens naaste verwantschap in de eerste domesticatie generaties van de kuddebewaker moeten er overige genen uit deze bron ontstaan zijn, of wat waarschijnlijker is op non actief gezet zijn. De A-serie ziet er gestaffeld naar dominantie en ressesiviteit als volgend uit:

1. A(s) = zwart
2. A(y) = geel, rood…
3. A = Aguti = Wildkleur
4. a(sa) = zadeltekening
5. a(tan) = zwart met roodbruine aftekening
6. a = non-aguti = het A gen is niet werkzaam

 
 

INDRUKWEKKEND

De omstandigheden waarin de Karakachaanse honden werken zijn hard en men kan aannemen dat maar weinig rassen tegen zo'n taak zijn opgewassen. De Bulgaarse bergen worden namelijk nog steeds bewoond door een aantal wolven en bruine beren.
De houding van de herders tegenover de Karakachaanse hond is altijd anders geweest dan tegenover andere honden en huisdieren. Deze honden worden beschouwd als leden van de familie. Zij krijgen het eerst te eten, dan de herder en zijn familie en de rest van de dieren. Het Karakachaanse hondenvoer is volstrekt vegetarisch. Een hond eet 700 gram haver en tarwe, geweekt met kokend water en vermengd met wat melk. Het is opmerkelijk dat met deze manier van opgroeien en inspannend leven zulke honden indrukwekkende leeftijden van 18 tot 20 jaar bereiken. Op de leeftijd van 10 tot 12 jaar werken zij nog uitstekend bij de kudde. Sommige teven krijgen op de leeftijd van 15 à 16 jaar nog pups

.

 
 

BIJZONDERE NAMEN

Volgens oud gebruik kregen deze honden altijd bijzondere namen, die uitdrukking geven aan hun geest en waaraan zij te herkennen zijn. In de Bulgaarse folklore bestaan er veel liederen en legenden, waaruit de achting van de mensen voor de honden blijkt. In een bepaald liedje breekt een beroemde teef van de ketting waaraan zij vast ligt los, om haar eigenaar en het dorp te redden van een vraatzuchtige beer en diens jong. In een ander lied wordt verteld over drie honden, die hun eigenaar redden van een groep gewelddadige Turken (ten tijde van de Turkse bezetting) die hem wilden vermoorden om zijn schapen te stelen. Een oude Karakachaanse herder vertelde ons een waar gebeurd verhaal over twee honden die alleen, zonder begeleiding van herders, een grote kudde schapen vanuit Istanbul (Turkije) naar de Rila-bergen in West-Bulgarije brachten, zonder daarbij ook maar een enkel schaap te verliezen.

*(Uit Viehzucht und Hirtenleben, W. Marinow) Namen voor de Karakachan hond zijn:
In de omgeving van Berkowitza; Metscho, Scharo, Tzetza, Balkan, Lewski, Surtscho.
In Kutowo (Rhodope gebergte); Tschoka, Mura, Gerscho, Musal, Mute, Mantscho, Mratschu, Bontscho, Rumena.
Op de berg Witoscha; Murzo, Baschur, Anga, Tschonu.
In Tshakalitza, het Rila gebergte; Scharo, Gudzo, Karaman, Galan, Kutra, Pantscho, Pirin, Metscho en Patuna una (bont als een kous).

LICHAAM

De werkprestaties van deze honden zijn ondenkbaar zonder hun indrukwekkende lichamelijke eigenschappen. De eeuwenoude met fijn gevoel uitgevoerde selectie heeft een hond geschapen met een imponerend en achtenswaardig uiterlijk. De Karakachaanse hond is groot en machtig, met een harmonieuze lichaamsbouw en dito verhoudingen. De schofthoogte bedraagt 63-74 cm voor reuen en 60-69 cm voor teven. Het geslachtsverschil is sterk geprononceerd, wat kenmerkend is voor primitieve rassen. Teven hebben een langer formaat, dus een wat langer lichaam in verhouding tot reuen. De herders hebben dit altijd als zeer gewenst beschouwd en willen dit ook nu nog het liefst zo zien. Het skelet van de teven is lichter dan dat van de reuen. Hun hoofden zijn kleiner en iets fijner. De borst van deze hond is groot, breed en diep. Soms komt een tonvormige borst voor, gewoonlijk bij breed en wat korter ter been uitgevallen individuen. Onafhankelijk van hun bouw zijn de Karakachaanse honden krachtig en beweeglijk, net als de Centraalaziatische Owcharka. Ze leggen elke dag moeiteloos vele tientallen kilometers af zonder uitgeput te raken en kunnen het in snelheid opnemen tegen wolven.
Hun rug is recht en breed. De sterk gespierde schoft en croupe steken boven de ruglijn uit. Dit wordt door de herders nadrukkelijk zo gewenst. De ledematen zijn breed gesteld, massief en parallel. Typisch voor het ras is de zogenaamde "berenstap", waarbij de honden lichtjes met de voorvoeten naar binnen lopen. De beweging van de Karakachaanse hond is uitzonderlijk. De draf, die handigheid en sterkte uitstraalt en typisch voor het ras is, staat de hond toe om urenlang rond de kudde te lopen zonder moe te worden. De gemaakte bewegingen zijn kwiek en zeer bruisend.


 

 

HOOFD

Het hoofd van de Karakachaanse hond is groot en massief, en breed tussen de oren. De overgang van het brede voorhoofd naar de snuit verloopt geleidelijk. De snuit is breed met droge en strakke lippen. De herders geven de voorkeur aan honden met een zwaar, fors hoofd en maximaal brede schedel. De snuit van zulke individuen mag naar de neus toe niet smaller worden. Vooral honden van dit type beschikken over de kracht, moed en vermogen om het met succes op te kunnen nemen tegen wolven en beren. In zo'n geval leggen ze perfecte eigenschappen aan de dag. In een gevecht vertonen zij uitzonderlijke moed, behendigheid en onverzettelijke moed om te winnen. De herders weten dit en hebben altijd uit een nest de pups gekozen met de grote zware hoofden en botte snuiten. De oren van de Karakachaanse hond zijn middelmatig groot, V-vormig met afgerond uiteinde. Ze zijn laag aangezet op ooghoogte en hangen vlak tegen de zijkant van het hoofd.




Een oude traditie zegt dat de herders één van de oren couperen, omdat ze geloven dat de hond dan beter hoort, maar nooit beide oren. De ogen zijn voldoende diep ingezet, zodat zij tijdens een gevecht goed beschermd zijn. Het is belangrijk hierbij te zeggen dat zij amandelvormig zijn en licht zijwaarts gesteld. De buiten-ooghoeken zijn zodoende wat hoger geplaatst dan de binnen-ooghoeken. De blik van de Karakachaanse hond is uitzonderlijk, zo scherp, wild en oorspronkelijk, maar tevens intilligent en wijs. In deze oog-opslag leest men het ferme en kalme karakter van de hond. Slechts de uitzonderlijk intelligente individuen hebben de tijd doorstaan. Zij waren in staat om het met succes op te nemen tegen wolven, die zoals bekend veel slimmer zijn dan hun tamme verwanten, de huishonden. Er zijn wel gevallen bekend, waarbij een hond bepaalde situaties niet aankon en slachtoffer werd van een groep wolven.

VACHT

De Karakachaanse honden zijn ruig, met een stugge, lange dikke vacht, die hen beschermt tegen de winterkou en de sterke temperatuursveranderingen in de bergen. In de winter en het voorjaar is de vacht rijkelijker en langer. Typisch en treffend is de franje van haar aan de achterkant van de ledematen. Bijzonder mooi zijn de lange franjes aan de achterbenen. Lange fijne haren versieren de ooraanzet. Achter de kaken vormen zij bakkebaarden. Op het voorhoofd en aan de voorkant van de ledematen is het haar kort en glad. Er worden twee vachttypen onderscheiden. Bij de eerste valt de vacht schuin, is daarbij uitzonderlijk ruw en lang, en kan bij sommige individuen op de schoft 26 cm

lang worden, 28 cm aan de croupe en 35 cm aan de staart. De franje aan de achterkant van de ledematen en de broek is ook bijzonder lang en opmerkelijk. Het doet denken aan het haar van een langharige geit.
Bij het tweede type is het haar stekelig en uitstaand. Het wordt 15 cm lang aan de schoft en 12-15 cm op de croupe. Dit type vacht doet aan een berenvel denken en is vooral typisch voor zwarte honden met een witte kraag en voor overwegend grijze honden.


GEVLEKT

De honden zijn gevlekt. Zij hebben meestal als kleur een witte basis met zwarte of grijze vlekken en minder vaak roodachtige of gele vlekken. Dit is niet zomaar. De herders hebben altijd de voorkeur gegeven aan honden met een contrasterende kleurstelling, die makkelijker te zien is. 's Nachts kan een herder een zwarte of grijze hond nauwelijks van een wolf onderscheiden, terwijl in de winter een geheel witte hond weer moeilijk te onderscheiden is tegen een besneeuwde achtergrond. Een geheel roodachtige hond verenigt zich weer te veel met de kleur van de gevallen herfst bladeren. Nagenoeg alle honden hebben een witte vlek op hun voorhoofd (meestal een verticale streep). Het zwarte masker, zoals bij een Sivas-Kangal, is niet typisch voor het ras. Geheel zwarte individuen, bruine of gestroomde honden met zwart masker, met "vuile", niet contrasterende kleurstelling, of met zacht en krullerig haar, zijn nagenoeg zeker kruisingen.


RASVERENIGINGEN

Vanwege het bedreigend gereduceerde bestand, werd dit oude, plaatselijke hondenras ondergebracht bij de Bulgarian National Biodiversity Conservation Strategy, opgericht in 1994 om het uitsterven van inheemse vormen van huisdierrassen te voorkomen. Dankzij de inspanningen van enthousiaste hondenfokkers gedurende de afgelopen tien jaar kon het zuivere type van de "Karakachansko Kuce" gered worden. Deze mensen verenigd in twee rasverenigingen, zetten zich tot het uiterste in voor de officiële erkenning als ras. De ene vereniging heeft zijn basis in de stad Pernik en de andere in de stad Stara Zagora. De doelstelling is om het ras te behouden als echte werkhond met zijn oorspronkelijke eigenschappen en zijn authentieke, primitieve type. En niet om het te laten transformeren tot een zoveelste pluizige showhond.

 

Tekst en foto's: Sider en Atila Sedefchev.
Vertaling: Leo Bosman.