Het klassement van de afdaling wordt bepaald na één afdaling. Die beslaat circa drie kilometer waarin een hoogteverschil van tussen de 500 en 800 (vrouwen) of 500 en 1000 meter (mannen) wordt overbrugd. De poortjes staan er uitsluitend om al te hoge snelheden te voorkomen, maar nog altijd komen de topsnelheden boven de 100 kilometer per uur.
De super-G wordt net als de afdaling gerekend tot de snelle nummers in het alpine-skiën. Het nummer wordt dan ook gepositioneerd tussen de reuzenslalom en de afdaling in. Het is één van de jongste nummers in het alpine-skiën. Er moeten tijdens de afdaling ongeveer 35 poortjes worden 'genomen', waarmee het een technischer nummer is dan de afdaling. De reuzenslalom kent een hoogteverschil van bijna 380 meter. De reuzenslalom wordt in twee manches afgewerkt. De winnaar is degene met de snelste totaaltijd. De slalom, met een hoogteverschil van 120 tot 220 meter een relatief korte afdaling, wordt in twee manches afgewerkt. De poortjes voor de beide manches worden 'gestoken' door coaches uit twee landen. Mannen moeten 55-75 stokken ronden, vrouwen tussen de 45 en 65. De winnaar van de combinatie is de skiër die na één afdaling en twee slaloms de snelste eindtijd heeft. Slalom en afdaling zijn twee zo verschillende disciplines dat de winnaar van de combinatie zich de compleetste skiër mag noemen. Voor de afdaling mag het parcours tweemaal worden geskied, bij de slalom mag het parcours voor elke manche eenmaal worden bekeken.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||