Meneer Theo Doesburg en zijn stijl


Meneer Theodor Küpfer die, waarom weet ik niet, zich Theo van Doesburg laat noemen, leek op het eerste gezicht een tamelijk onschuldig type. Hij is begaan met de Ziel en met de Kunst, met zijn eigen Belangrijkheid vooral, een van die idioten die men, aldus Bleuler, in bijna alle vernieuwende of revolutionaire bewegingen vindt. Een van die brave kladderaars die er zonder moeite in slagen de meest heldere zaken ingewikkeld te maken. Van een ambitie en van een ijdelheid die uitzonderlijk is en o zo kwetsbaar (helaas zie ik me genoodzaakt haar deze keer nogmaals te kwetsen, die ijdelheid!), o zo actief en daarom geweldig nuttig voor degenen die hij dient, hopend dat zij hem later zullen helpen hoger op de ladder te komen en iemand die bij uitstek weet hoe hij de zaakjes moet regelen die een ander verwaarloost. Toch zijn het niet deze eigenschappen van de man die me kwaad maakten.
Meneer Theo van Doesburg is schilder en als zodanig maakt hij deel uit van een groep kunstenaars die vanuit het werk van Mondriaan (een schilder van een zeker talent, maar een dat beëindigd en een eindpunt is - men zegt de kurk op de fles van Picasso) en vanuit dat van mij van voor 1917 (mijn 'ijzige periode'; maar elke kunstenaar heeft het recht, geloof ik, die te verlaten en niemand is zo verloren als degene die daar in blijft - 'die ' Narrenkapf werf' ich tanzend in die Luft, Denn ich entsprang!In die tijd schilderde meneer Van Doesburg trouwens onbeduidende impressionistische doeken...) in staat geweest is daar een beweging uit te creëren, of eerder een artistieke onbeweeglijkheid die, vanuit nationaal oogpunt, vooral curieus is omdat deze onbeweeglijke beweging, deze woeste ontkenning van het Leven zelf, deze rigide en steriele kunst, dit geduldige dilettantisme, verstard en bevroren in kleine gekleurde vierkantjes en in rechte, orthodoxe lijnen die triest in de leegte hangen, alleen maar denkbaar is in deze lage landen, deze zeer lage landen. Want inderdaad, deze Kunst is de ware in dit land, het brandpunt van de harde en koude moraal - uitgelachen door de God van de tuinen -, van de hypocrisie en van de angst om vooral calvinistisch te leven; van de beeldenstormers en van de sombere, hopeloze triestigheid; dit oude Holland: stervend, dood, vanaf de eerste dag verrot, een eeuwig vervloekte hel op aarde.
Meneer Mondriaan, een lijk dat zijn schoonheid nog niet verloren heeft, kreeg een prachtig vierkante kist; Meneer Van der Leck, nog levend, heeft zich vierkant laten doden. Alleen meneer Huszàr, van oorsprong Hongaar, weet dit maniertje met gemak en zwier te hanteren omdat het past bij zijn natuurlijke dorheid. Meneer Theo Van Doesburg is de toegewijde propagandist van de groep. Ze staan hem zelfs toe te schilderen. De ene dienst tenslotte is de andere waard...
U ziet dat ik de kwaadsprekerij over sommige van deze kunstenaars geenszins ontken. Het moge eveneens duidelijk zijn dat ik noch de historische noodzaak van de beweging zelf ontken, die, in elk geval het cubisme tot kurk dient zoals ook het neo-impressionisme de kurk was op het impressonisme.
Toch waren het niet deze eigenschappen van deze groep die me kwaad maakten.
Niet alleen beschikken deze man en deze groep over eigenschappen; ze beschikken - of misschien, beschikten - (en zij zijn - of waren - de enigen die daarover beschikten, deze moderne kunstenaars hier beneden in de lage landen, de zeer lage landen) over wat geld en dus, uiteraard, over een eigen tijdschrift. Van zulke avonturen, zoals van vele andere, daar zou je socialist van worden (weg met het kapitaal!). Vandaar het niet alleen zeldzame maar vooral beroerde feit dat het eerste en enige moderne-kunst-orgaan van de zeer lage landen een zuiver partij-orgaan is vol van ingenomen stellingen; op voorhand heeft deze partij gewonnen!
Meneer van Doesburg is de hoofdredacteur van dit tijdschrift dat net zo goed 'De Zaag' had kunnen heten, maar zich luchtigjes De Stijl noemt, Stilum habet. 'De Stijl, dat is de mens.' En zoals zijn meester, weet De Stijl alles wat zij aanraakt met een verbazingwekkende bedrevenheid onbegrijpelijk te maken - een vreemde bezigheid voor een stijl, dat moet men toegeven. Aangelengd met de logica van Hegel, gefilterd door onze grote Bolland en daarna nog eens door Schoenmaekers (wat lachen ze erom!) zitten dergelijke teksten wat mij betreft vol onbegrijpelijkheden en zijn ze afgeladen met vreemde woorden die wijsheid pretenderen maar belachelijk aandoen, helaas! (het 'Intelligenzcomplex' van de idioten van Bleuler). Ze geven van niets anders blijk dan van verwarring en zijn niet zelden net zo fout als al dit intelligente gebrabbel (zie bijvoorbeeld 'destructiveert' !) vol van schreeuwende inconsequenties of boos in het genoegzame genoegen een denker te willen lijken zonder te denken, terwijl dit eigenlijk nog te gemakkelijk zou zijn, immers: 'Das Denken is eine saure Arbeit' ! Kijk bijvoorbeeld hoe De Stijl ten eerste aanbeveelt: het exclusieve gebruik van de primaire moederkleuren (die andere zijn immers 'vies'); ten tweede: de muurschildering en ten derde: een solide en duurzame schilderkunst; aanbevelingen waarvan het tot driemaal toe onmogelijk is ze tezamen te vervullen.
En dat hele repertoire, monotoon als een draaiorgel wordt voortdurend met nasale stem herhaald. Het is bespottelijk!
En toch waren het niet deze eigenschappen van hun tijdschrift die me kwaad maakten.
Waarom dan liet ik me kwaad maken door mensen en dingen die ik zo weinig capabel acht?
Ziehier: het feit dat De Stijl het enige tijdschrift voor moderne kunst is in de zeer lage landen - of was - (zoals u zich herinnert, een zuiver partij-orgaan en een vol van ingenomen stellingen) dat in het buitenland een zekere autoriteit geniet - of genoot - en waarvan de hoofdredacteur, meneer Th. van Doesburg niet weet hoe gauw hij ervan gebruik moet maken op een wijze die men niet anders kan bestempelen dan oneerlijk en gevaarlijk waardoor hij erom vraagt een pak slaag zoals dit te krijgen.
In het algemeen erkent De Stijl in Holland alleen de zijnen. Hoewel het zwaar schadelijk is voor de ontwikkeling van de moderne kunst dat een enkele groep, zelf in het geheel niet in staat tot enige ontwikkeling, de gelegenheid heeft om direct en vrij tot het publiek te spreken, bestrijd ik haar het recht niet deze zoete gelegenheid te grijpen. Het ligt echter anders wanneer de zaak zich presenteert zoals hij zich hier presenteert, namelijk, dat de manier waarop deze heren van de Stijl de moderne kunst beoordelen totaal verandert vanaf het moment dat de grens gepasseerd is! Neem een kunstenaar als Severini, bewierookt en bejubeld in De Stijl, maar zou hij van hier komen, dan zou hij, daar durf ik gif op in te nemen, uitgejouwd worden zoals elke andere belangrijke Nederlandse kunstenaar.
Op deze manier verbindt De Stijl deze buitenlandse kunstenaars met zichzelf en doet zij elders geloven dat haar Kunst de enige Moderne Kunst in Holland is, wat een bij uitstek leugenachtige voorstelling van zaken is die naar mijn mening aan de kaak gesteld moet worden.
De kleine man, onderdanig en bescheiden op kantoor, blijkt thuis een losbandige vent. Een moderne Januskop, verdomd, die twee gezichten toont: een met gefronste wenkbrauwen dat bespot - en dat met gemak omdat hij als enige bewapend is tegenover de ontwapende - en het andere dat smekend kijkt, hoe laf!
De vermakelijke schriftelijke bewijzen van een ondergrondse actie reserverend voor een volgende publicatie die de Nederlandse collega's beoogt te belasteren in verband met kunstzinnige buitenlandse ondernemingen, stel ik me op dit moment tevreden uw aandacht te vragen voor de volgende affaire (een fraaie affaire!): De Stijl vertegenwoordigt voor de zeer lage landen het Italiaanse tijdschrift Valori Plastici, een ultra-reactionair blad dat met al haar deelnemende kunstenaars vanuit het Stijl-gezichtspunt door de heer Doesburg feilloos genegeerd of belasterd zou worden indien het verschenen zou zijn op zijn vochtige geografische breedtegraad, in de lage landen, de zeer lage landen, landen zo laag als u maar wilt. Omdat het echter elders verschijnt, stuurt De Stijl ons de brochure. En zie, welk een charmante wederkerigheid: de redactie van Valori Plastici heeft een artikel opgenomen van meneer van Doesburg, vertaald in het Italiaans en getiteld De nieuwe kunst in Holland. Een beleefdheid die men uiteraard niet kan weigeren - trouwens, hoe had de redactie anders aan serieuze informatie moeten komen aangezien niemand, behalve van deze meneer Theo van Doesburg, haar had kunnen inlichten?
Temidden van allerlei onzin, walgelijk als een Noordelijke regenbui en nog walgelijker dan de modder die ze teweegbrengt, leest men in dit artikel zinnen als: 'Volgens mij hebben de Nederlandse vernieuwers Piet Mondriaan, B. van der Leck, Rob van ‘t Hoff, Vantongerloo, Oud, Alma, Huszàr, Beeckman en de auteur van onderhavig artikel, de basis gelegd voor deze nieuwe stijl.'
In dit artikel wordt geen enkele van de andere Nederlandse vernieuwende kunstenaars genoemd.
Het verheugt mij dan ook bijzonder dat deze publicatie me de gelegenheid geeft om ten overstaan van de gehele kustzinnige moderne Wereld te laten weten dat het hier betaalde hoerenliefde volgens Stijl-recept betreft, terwijl haar echte minnaar, mannetje, 'lieve schatje', poesje en pooier, de kerel van wie ze het hebben moet, zich hier in de kast bij ons verstopt heeft.
Komt hem zien!

november 1919, Erich Wichman