Territorium

 

Edelherten en Damherten leven vaak in een groep. Een groep heeft voordelen, zoals bescherming tegen roofdieren, maar heeft ook nadelen., omdat alle herten hetzelfde eten. ReeŽn leven niet in een kudde maar vormen alleen in de winter kleine groepjes van twee tot vijf dieren die sprongen worden genoemd. In het voorjaar gaan de herten weer uit elkaar. Een plek wordt door de ReeŽn alleen verdeeld in een aantal leefgebieden, waar de herten kunnen eten, slapen, paren, en jongen groot brengen. De grootte van zo'n leefgebied wordt bepaald door het voedsel dat er in het leefgebied is. Als er veel voedsel is wordt het leefgebied kleiner.

In gebieden waar weinig schuilplekken zijn wordt het leefgebied groter. De bokken (de mannetjesherten) merken een gebied onder andere af met "veegboompjes", dat zijn meestal jonge boompjes waarvan de bast is afgeslagen met het gewei, zodat de stammetjes een opvallende witte kleur hebben.

 

De bok smeert ook een soort geur aan de boom die uit zijn voorhoofdsklier komt. Vaak gaat het hert dan met zijn kop en hals langs het boompje, zodat de geur ook daaraan komt. Meestal maakt de bok tijdens een tocht gebruik van wissels. Een wissel is een vaste route waar dieren doorheen lopen en omdat ze zo vaak daar lopen is het afgesleten. Ook smeert hij daar aan laaghangende takken de geur. 's Ochtends maakt de bok ook wat blaffende geluiden, die tot heel ver te horen zijn. Dit is ook iets waarmee hij laat horen waar hij is.