En oplossingen

Grond kan natuurlijk verontreinigd raken en helaas gebeurt dit ook vaak. Of het nou gaat om bijvoorbeeld huisvuil of kernafval, het komt allemaal op of in de bodem terecht. Het milieu wordt daardoor aangetast en de volksgezondheid wordt bedreigd. Daarom moet er iets aan gedaan worden. De laatste tien jaar is er heel wat verbeterd als het gaat om het reinigen van verontreinigde grond. Er zijn bijvoorbeeld andere en meer technieken voor het reinigen en de wetgeving is veranderd.


 

Soorten verontreiniging en oorzaken

Bodemverontreiniging wordt veroorzaakt door het storten van huishoudelijke en industriële afvalstoffen (vooral door chemische afvalstoffen, maar ook door verontreinigd riool- of zuiveringsslib), door moderne landbouwtechnieken, door verkeer, door wegenzout, door ondergrondse pijpleidingen en olietanks, en door ongelukken (bijv. bij transport van schadelijke stoffen). In de landbouw veroorzaken vooral bemesting en het gebruik van bestrijdingsmiddelen problemen. De bodemvruchtbaarheid wordt minder door de intensieve landbouw. Door het gebruik van kunstmest en organische mest nemen de gehaltes aan fosfor, stikstof en koper weer toe. Riool- en zuiveringsslib, dat ook vaak wordt gebruikt om de bodem te verbeteren, kan zware metalen en chloorhoudende koolwaterstoffen bevatten. Op sommige plekken is de hoeveelheid van stikstof in de bodem al zo hoog, dat het grondwater in toenemende mate wordt verontreinigd.

Het aantal plaatsen met verontreinigde grond werd in 1988 geschat op 6000 tot 7000. Toen was al duidelijk dat tot het jaar 2000 op 1600 plaatsen moest worden gesaneerd. Het ging om ongeveer 14 miljoen m³ vervuilde grond, waarvan ruim 6 miljoen m3 werd afgegraven.

De vondsten van chemisch afval onder de woonwijken in Lekkerkerk, Dordrecht, Gouderak, Hengelo en Maassluis waren schokkend. In Lekkerkerk werd de verontreinigde grond onder huizen afgegraven en in Dordrecht moesten 106 vrij nieuwe huizen worden afgebroken. In Gouderak werden in de bodem en het grondwater te hoge gehalten van de zeer schadelijke bestrijdingsmiddelen aldrin en dieldrin aangetoond en daarom moesten de bewoners van 330 huizen worden geëvacueerd.

Op terreinen waar gasfabrieken hebben gestaan, worden vaak resten van aromatische verbindingen als benzeen gevonden. Het voormalige fabrieksterrein van het afvalverwerkingsbedrijf EMK in Krimpen aan de IJssel is ernstig verontreinigd. De Broekpolder vlak bij Vlaardingen is door opspuiten van verontreinigd slib in het verleden sterk verontreinigd, o.a. met PCB's. Hierdoor is de teelt van bepaalde gewassen daar niet meer mogelijk. In het oosten van Noord-Brabant en in delen van de Veluwe en de Achterhoek wordt een zo hoge hoeveelheid mest geproduceerd dat de uitstoot van ammoniak op die plekken zeer hoog is. In het hele land zijn er dus plekken te vinden die verontreinigd zijn of geweest zijn.

Natuurlijk kunnen de soorten en hoeveelheden verontreinigde grond in de loop der jaren veranderen. De vraag is: wat voor verontreinigde grond er tegenwoordig dan nog gestort wordt? Zowel de hoeveelheid als de aard en samenstelling van te storten grond is de afgelopen vijf jaren behoorlijk gewijzigd. Eind jaren negentig werd er jaarlijks 1,2 à 1,4 miljoen ton verontreinigde grond gestort. Nu is dat 0,5 à 0,7 miljoen, een hele verbetering. Van deze hoeveelheid was in 2002 ongeveer 40% asbesthoudend en ongeveer 40% betrof verontreiniging van het grondreinigingsresidu van extractieve grondreinigers. Nog maar 20% van de te storten grond is afkomstig van 'conventionele' bodemsaneringen.


 

Eutrofiëring

Een overmaat aan voedingsstoffen voor planten (vooral stikstof en fosfor) kan de ecologische processen in water en in de bodem ontregelen. Dit wordt vermesting of eutrofiëring genoemd. Het gevolg hiervan is dat de levensgemeenschap verandert: soorten verdwijnen en andere komen ervoor in de plaats. Uiteindelijk domineren slechts enkele soorten in grote hoeveelheden. De biodiversiteit neemt dus af.

Voedingsstoffen komen terecht in grondwater en oppervlaktewater, maar hopen zich ook op in de bodem, planten en vissen. Door deze ophoping worden de gevolgen van vermesting vaak pas in een later stadium zichtbaar. Bij het verminderen van de hoeveelheid voedingsstoffen herstelt de bodem langzaam, doordat er nog veel opgehoopte voedingsstoffen zijn.


 

Wetgeving

Volgens de Wet Bodembescherming (WBb) is een bodem verontreinigd wanneer het gehalte van een stof in grond of grondwater de zogenaamde 'Streefwaarde' overschrijdt. Verder zijn er 'Interventiewaarden', gehalten die aangeven vanaf wanneer sanering nodig is. Volgens het beleid moeten verontreinigingen zo veel mogelijk worden verwijderd.

De WBb beperkt bodemverontreiniging tot stoffen: elementen (atomen en ionen) en verbindingen (moleculen en zouten). Een uitzondering op deze regel is minerale olie, een mengsel van verbindingen. Verontreinigingen als warmte en radioactiviteit worden dus niet meegerekend. De normen zijn objectief bepaald, maar als het gaat om saneringstechnieken en risico's zijn ze zeker niet het belangrijkste. De manier waarop de verontreiniging in de bodem voorkomt is hiervoor namelijk minstens zo belangrijk als de eigenschappen van de moleculen.

Bij het voorkomen van verontreiniging wordt onderscheid gemaakt tussen lokale en diffuse bodemverontreiniging. Bij diffuse verontreiniging is het oppervlak groot en nauwelijks begrensd. Bij lokale verontreiniging is de oorzaak bekend en is de verontreiniging scherper begrensd (plaatselijk).

In 1997 koos het Kabinet in het 'Kabinetsstandpunt over de vernieuwing van bodemsaneringsbeleid' voor een belangrijke wijziging. Het doel was de stilstand in het saneringsproces en de stilstand van maatschappelijke processen door bodemverontreiniging weg te nemen. De nieuwe aanpak van de bodemsanering is beschreven in het eindrapport BEVER. Als gevolg van het nieuwe beleid moesten de Wet Bodembescherming (WBb) en uitvoeringsregelingen worden aangepast.


 

Bemonsteren

Om erachter te kunnen komen wat de samenstelling van de grond is en of de grond vervuild is, moet je een monster nemen van de grond. Om dit te kunnen doen zijn verschillende methoden. Zelf hebben we ook bemonsterd voor een aantal proeven die we hebben gedaan. We maakten daarbij gebruik van een (droge) handboring.

Bemonsteringmethodes
Bodemonderzoeken worden uitgevoerd om kwalitatieve en/ of kwantitatieve eigenschappen van de bodem te bepalen. In de bodem kan men verschillende fasen onderscheiden die elk een eigen specifieke monsternametechniek en -conservering vereist. Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • vaste fase: vaste deel van de bodem met daaraan gebonden stoffen
  • vloeibare fase: grondwater met daarin opgeloste, geëmulgeerde of gesuspendeerde stoffen
  • bodemvocht: vocht dat zich in de poriën bevindt in de onverzadigde zone
  • gasfase: bodemlucht (lucht aanwezig in de poriën in de onverzadigde zone)
  • waterbodems

Aan de hand van grondmonsters kunnen zowel op het veld als door onderzoek in het laboratorium veel gegevens verkregen worden over de samenstelling, de opbouw van de ondergrond en de daarin voorkomende verontreinigende stoffen.

De beschrijving op het veld kan de volgende aspecten omvatten:

  • de aard van het gesteente of sediment (zand, klei, grind, enz.)
  • gelaagdheid van de grond
  • textuur van de verschillende lagen (grof, medium, fijn)
  • organisch stofgehalte
  • structuur van de grond
  • gley verschijnselen (oxidatie-reductie verschijnselen door variërende watertafel)
  • doorlatendheid van de grond
  • samendrukbaarheid
  • porositeit
  • visuele waarneming van de verontreinigingstoestand

In het laboratorium kan, naast een meer nauwkeurige bepaling van de bovengenoemde aspecten, een groot aantal chemische, fysische en bacteriologische eigenschappen worden bepaald. Zoals eerder vermeld werd is de wijze waarop het monster is van groot belang.

Het nemen van grondmonsters en de selectie van monsters voor analyse is erg belangrijk voor milieuonderzoek. Vanwege de hoog oplopende kosten wordt slechts een beperkt aantal monsters geselecteerd voor analyse, waardoor een grote representativiteit noodzakelijk is. Dit kan alleen door te werken volgens bepaalde regels. Grondmonsters die bedoeld zijn voor analyse mogen alleen met droge boormethoden worden genomen. Monsters voor geologische beschrijving kunnen door middel van verschillende boormethoden worden genomen.

Het gebruik van steek- of kernboringen is het meest geschikt voor het verkrijgen van een juist beeld van de bodemopbouw. Deze monsters hiervan worden in de kernen of bussen naar de lokalen van de bodemdeskundige of het laboratorium gebracht. Het is zo ook mogelijk om de beschrijving van het bodemprofiel en de selectie van de bodemmonsters voor analyse na het tijdstip van de monstername uit te voeren.

In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van boormethodes en de doeleinden (incl. monstername mogelijkheden) waarvoor deze het best geschikt zijn.

Bij de, meestal ondiepe, milieuboringen wordt onderscheid gemaakt tussen droge boringen (zonder werkwater) en spoelboringen. Bij droge boringen kan nog onderscheid worden gemaakt tussen handboringen en mechanische boringen.

Bij de keuze voor een bepaalde techniek zijn een aantal aspecten van belang:

  • bodemgelaagdheid en grondwaterniveau
  • gewenste diepte
  • aanwezigheid van puin
  • geroerd / ongeroerd monster
  • aëroob / anaëroob monster
  • te onderzoeken parameters

Droge boringen
Handboorgereedschap voor ondiep bodemonderzoek wordt veel toegepast bij bodemveront-reinigingsonderzoek. De meest gebruikte handwerktuigen zijn:

  • edelmanboor (kleitype, zandtype, combinatietype of grofzandtype)
  • riversideboor
  • grindboor
  • gutsboor
  • pulsboor
  • steekboor
  • spiraalboor (avegaarboor)
  • zuigerboor

We zullen niet verder ingaan op de verschillen tussen deze boren. Mechanische boringen worden meestal toegepast voor diepere boringen en voor het bemonsteren van gronden met puin. Hierbij zijn de meest gebruikte werktuigen:

  • steekboor
  • spiraalboor (avegaarboor)
  • holle avegaarboor
  • pulsboor
  • kernboor

Spoelboringen
Spoelboringen zijn boringen waarbij veel werkwater wordt gebruikt. Door circulatie van het werkwater via boorstangen en boorgaten wordt het losgeboorde materiaal omhoog getransporteerd. Het opgeboorde materiaal laat men bezinken in bakken of in een bezinkingsbekken.

Door verstoring van de grondlagen en door het gebruik van veel werkwater, wat de verspreiding van aanwezige verontreiniging kan verergeren, is deze boortechniek voor bodemverontreinigingsonderzoek af te raden.

De spoelboring wordt gebruikt in alle grondsoorten. Hiervoor zijn verschillende types boorwerktuigen beschikbaar, welke meestal getande boorbeitels zijn. Er zijn drie types van spoelboringen:

  • de boring met rechtstreekse circulatie of spoeling
  • de boring met omgekeerde circulatie of spoeling
  • de counterflush boring

Naast de verschillende methoden voor grondbemonstering zijn er ook verschillende methoden voor grondwaterbemonstering, waterbodembemonstering, bodemvochtbemonstering en bodemluchtbemonstering. Wij houden het nu echter alleen bij, de voor ons belangrijkste, beschrijving van de methode voor grondbemonstering.


 

Reinigingstechnieken

Gelukkig zijn er verschillende technieken om grond te kunnen reinigen. Het reinigen van vervuilde grond kan via drie technieken, soms met een combinatie ervan, gedaan worden: isoleren, ter plaatse zuiveren en afgraven of storten.

Plaatsen met verontreinigde bodems moeten meestal eerst waterstaatkundig worden geïsoleerd. Daar zijn nieuwe technieken voor ontwikkeld, o.a. het slaan van damwanden en het oppompen van grondwater vanuit het vervuilde gebied, zodat de verontreiniging niet meer kan uitspreiden in de omgeving. Hierna kan één van de volgende technieken worden toegepast:

  • thermische behandeling: uitdampen door directe verhitting of meteen verbranden van de vrijgekomen stoffen bij hoge temperaturen (700 - 1200 °C) of door stoomstrippen
  • extractietechnieken, bijvoorbeeld extractie met water
  • biologische afbraakmethoden

Voor verschillende stoffen zijn dus verschillende technieken beschikbaar. Metaalionen kunnen bijvoorbeeld goed door extractie worden verwijderd, maar organische verbindingen als PAK's en PCB's moeten thermisch worden behandeld.

De microbiologische reiniging moet nog meer worden uitgewerkt, maar met het zuiveren van verontreiniging door olie zijn al goede resultaten bereikt.

Biologische bodemsanering
Biologische bodemsanering is een vrij nieuwe techniek. Hierbij worden verontreinigingen door micro-organismen als het ware opgegeten en afgebroken tot producten die (min of meer) onschadelijk zijn voor het milieu. Deze manier van bodemreiniging heeft grote voordelen: de grond hoeft niet te worden afgegraven, het kost bijna geen energie en het is een goedkope oplossing. Voor de meeste verontreinigingen kun je de micro-organismen gebruiken die al in de bodem aanwezig zijn. Voor lastige verontreinigingen kunnen in de toekomst misschien ook wel genetisch gemanipuleerde micro-organismen gebruikt worden. Doordat deze techniek zo nieuw is, zijn er nog veel vragen.

Extractietechnieken
We zullen nu op de volgende techniek wat dieper ingaan: spoelen met water voor stimulering van biologische omzetting.

Techniekbeschrijving
De biologische afbraak van verontreinigingen kan gestimuleerd worden door water met 'additieven' te infiltreren (doorsijpelen). Zowel de aërobe als de anaërobe afbraak kunnen gestimuleerd worden door het toevoegen van specifieke elektronenacceptoren of stoffen die de afbraak bevorderen. De meest gebruikte elektronenacceptor is luchtzuurstof. Helaas kan dit slechts in beperkte hoeveelheden oplossen in grondwater (10 mg/l) en zal het dus snel verbruikt worden bij erge verontreinigingen. Door gebruik te maken van puur zuurstof, wat een stuk duurder is, is de maximale oplosbaarheid van zuurstof in grondwater wel haalbaar (50 mg/l). Door gebruik te maken van peroxide is het mogelijk nog hogere gehalten aan zuurstof te bereiken. Wanneer te hoge gehalten aan peroxide worden gebruikt, kunnen voor bacteriën toxische (vergiftigde) omstandigheden ontstaan.

Een alternatief voor zuurstof is nitraat, maar helaas kunnen slechts een beperkt aantal verbindingen met nitraat als elektronenacceptor afgebroken worden (benzeen en minerale olie worden bijvoorbeeld niet afgebroken, terwijl die wel worden afgebroken bij aanwezigheid van een laag gehalte zuurstof). Door het gebruiken van specifieke chemicaliën kan de cometabolische afbraak van verschillende chloorhoudende verbindingen gestimuleerd worden. Sinds kort zijn er activiteiten om de in situ biologische omzetting van met name vluchtige gechloreerde verbindingen te onderzoeken. Daarnaast zijn er onderzoeken opgestart naar de in situ biologische immobilisatie (ter plekke reinigen) en om de biologische uitspoeling van zware metalen te bestuderen. Met behulp van drains, deepwells en verticale filters kan water worden geïnfiltreerd (doorsijpelen) in de bodem. Wanneer extractie gewenst is, zal de techniek gecombineerd moeten worden met een wateronttrekking, meestal gevolgd door een waterzuivering.

Toepassingsvoorwaarden
Door de trage doorspoeling van de bodem met water moet de doorlatendheid van de bodem
0,5 tot 1 m/dag bedragen. Biorestauratie door middel van het spoelen van een grondverontreiniging, met grondwater wat belucht of puur zuurstof bevat, leidt alleen tot goede eindresultaten bij lage gehalten verontreinigingen (enkele honderden mg/kg). Hogere gehalten aan verontreinigingen kunnen op korte termijn (enkele jaren) niet gesaneerd worden met deze techniek. Er moeten dan hogere gehalten zuurstof in het water opgelost worden (bijvoorbeeld peroxide of ozon). Gehalten aan waterstofperoxide van meer dan 200 mg/l kunnen giftig zijn voor bacteriën en zullen de biodegradatie afremmen, als het peroxide niet stapsgewijs gedoseerd wordt.

De dosering van nitraat aan het grondwater hangt af van de eisen die de overheid gesteld heeft ten aanzien van de kwaliteit van het grondwater (nitraatgehalte).

Het wel of niet slagen van biorestauratie door middel van infiltratie hangt verder af van de volgende factoren:

  • geochemische omzettingen (o.a. ijzerneerslag, gasvorming)
    Doordat zuurstofloos, ijzerrijk water in contact komt met zuurstof kan ijzer neerslaan.
  • hydrologische problemen (o.a. heterogeniteit (ongelijksoortigheid) van de bodem)
    De doorlatendheid van de bodem in de verticale en horizontale richting is vaak moeilijk in te schatten door gebrek aan informatie over de geohydrologische bodemopbouw.
  • fysische problemen (o.a. colloïdale verstoppingen)
    Door de inspoeling van fijne deeltjes kan het infiltratiemiddel verstopt raken.
  • biologie (o.a. toename van biomassa)
    Door het toevoegen van nutriënten of zuurstof kan de biologische activiteit verhoogd worden, waardoor het infiltratiemiddel door microbiële groei verstopt kan raken.
  • technologische problemen (o.a. het te weinig plaatsen van onttrekkingsputten)
    De infiltratiecapaciteit van bijvoorbeeld een infiltratieput is veelal 50 tot 80% kleiner dan die van het onttrekkingsput.

Resultaten
De beschreven techniek leidt helaas alleen tot bevredigende eindresultaten bij lage gehalten aan verontreinigingen (enkele honderden mg/kg). Hogere gehalten aan verontreinigingen kunnen op korte termijn (enkele jaren) niet gesaneerd worden. Met het spoelen met nitraat en andere elektronenacceptoren of cometabolische processen zijn nog weinig resultaten geboekt. Infiltratie van water heeft echter het volgende resultaat:

  • terugdringen van de ongewenste gevolgen van grondwateronttrekkingen (grondwaterstandsverlagingen, droogte- en zettingsschade, aantrekken verontreinigingen)
  • versnelde doorspoeling van de bodem

Milieurendement
De infiltratiemiddelen worden na gebruik meestal weer verwijderd. Drains en diepe deepwells (opgevuld) kunnen ook in de bodem achterblijven. Er moeten passende, maar meestal beperkte, veiligheidsmaatregelen worden getroffen in verband met het werken met de te infiltreren stoffen.

Energieverbruik 0
Reststoffen 0
Ruimtegebruik 0
Geluidshinder +
Geurhinder +
In de tabel hiernaast zie je de
voordelen van deze techniek.

Ontwikkelingsstadium
Met de techniek is in de loop der jaren voor aërobe processen op praktijkschaal ervaring opgedaan, maar de techniek wordt maar weinig grootschalig toegepast. Voor de stimulering van anaërobe afbraakprocessen zijn maar weinig veldstudies uitgevoerd. Met de infiltratietechniek is ervaring, maar er moet nog veel gedaan worden aan het ontwerpen en onderhouden van infiltratiesystemen. Het zou natuurlijk mooi zijn als deze techniek uiteindelijk grootschalig toegepast kan worden, want zoals ook in de tabel van bron 1 is te zien, heeft de techniek vele voordelen.

Een groene schoonmaakploeg
Planten kunnen ook goed helpen bij het reinigen van grond en ook hier zullen we eens wat dieper op ingaan.

Sommige planten groeien goed op met ijzer of lood vervuilde grond. Voor grootschalige inzet tegen bodemvervuiling zijn deze plantjes nu nog te klein en te traag. Met wat genetische manipulatie is daar wel wat aan te doen.

Fytoremediatie
Vervuilde grond reinigen met behulp van planten lijkt ideaal. De 'groene schoonmaakploeg' deed begin jaren negentig haar intrede in milieuplannen, maar is het experimentele stadium nog nauwelijks voorbij. Toch is fytoremediatie (reinigen met planten) nog niet afgedankt. Verbetering van de methode kost tijd, net als het zuiveren zelf.

Waar het om gaat: sommige planten kunnen zware metalen opslaan in hun weefsels. Enkele soorten doen dat in extreme mate, ze 'hyperaccumuleren'. Je kunt op een vervuilde bodem een aantal metaaleters planten (zie onderstaande tekekning). Na een tijdje kun je ze oogsten, en op lange termijn halen ze alle zware metalen uit de grond. Ilya Raskin, bioloog aan de Rutgers University in New Jersey, bedacht in 1994 voor dit principe de naam fytoremediatie. Het is goedkoper dan afgraven en milieuvriendelijker dan chemisch reinigen.

Naar fytoremediatie is al wel veel onderzoek gedaan, maar er zijn nog weinig velden met bijvoorbeeld mosterdplanten (die nikkel, lood, cadmium, chroom en seleen uit de grond halen), schildzaadsoorten (eet nikkel) of zinkboerenkers (eet zink).

Nog vaak een technische oplossing
'Er wordt veel geëxperimenteerd, maar helaas blijft het in die fase hangen', zegt ecotoxicoloog Peter Leendertse van het Centrum voor Landbouw en Milieu, dat veel onderzoek doet naar wetenschappelijke milieuvraagstukken op het terrein van landbouw. Bodemsaneerders kiezen vaak nog voor een technische oplossing, omdat een groene methode 'vreemd' is. Maar dat is niet het enige probleem. In rapportages van de overheid staat fytoremediatie nog altijd bekend als veelbelovend, maar te weinig praktisch toepasbaar.

Een belangrijk bezwaar tegen fytoremediatie is dat het zo traag gaat. Zelfs met zinkboerenkers, dat honderd keer meer zink opneemt dan maïs, duurt bodemsanering vele jaren. 'Dat maakt deze methode maatschappelijk volstrekt onacceptabel: 'nu werken voor iets dat over duizend jaar pas schoon is', zegt professor Wilfried Ernst, hoogleraar plantkunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Ook zijn metaalminnende planten meestal nogal klein en dat schiet niet op. Ernst ziet grote mogelijkheden voor fytoremediatie als een snelle groeier als maïs in vergelijkbare mate metalen kan opnemen. Hij onderzoekt nu, welke genen in metaalminnaars verantwoordelijk zijn voor de opname van zware metalen. Wanneer je deze genen kunt overbrengen naar snelgroeiende planten, dan kunnen die veel metalen opnemen. Vooral in bladeren en stengels en juist niet in de zaden. Zo kun je straks dubbel oogsten: de zaden zijn metaalarm, en kunnen worden gegeten. Na de zaadoogst worden de planten gemaaid en is de bodem schoner.

Genetisch manipuleren
In het gunstigste geval heb je vijf tot tien genen nodig uit de zinkboerenkers om alle eigenschappen te krijgen. Die genen liggen verspreid in heel de zinkboerenkers, maar het is nog niet bekend waar. Zulke manipulaties zullen pas over jaren succesvol zijn. En dan nog moet je een gastheer kiezen bij wie je de zadenverspreiding goed kunt controleren. Je bent immers een plant genetisch aan het manipuleren.

Professor Ernst heeft de afgelopen jaren ook onderzoek gedaan naar de vraag waarom sommige planten hyperaccumuleren en hoe ze dat doen. Het blijkt dat metalen opslaan voor planten evolutionair twee grote voordelen heeft: ze kunnen groeien waar andere planten afsterven en ze zijn beschermd tegen vraat. Hyperaccumulatoren hebben genetisch een mechanisme ontwikkeld dat voorkomt dat zware metalen schadelijk kunnen zijn voor de plantencel. De planten transporteren de metalen naar vacuolen (vochtblaasjes, die door een membraan van de rest van de cel gescheiden zijn). Hierdoor blijven de planten wel klein, want het transport van metalen kost veel inspanning (energie die de plantjes anders voor de groei hadden kunnen gebruiken).

Bodemsaneerder Tabe Tietema verwacht dat fytoremediatie vooral een rol kan spelen bij niet al te zwaar vervuilde grond. Hij startte vier jaar geleden het bedrijf Nimbio Environmental Options en specialiseerde zich in bodemsanering met behulp van planten. Hij voerde in Holten een haalbaarheidsonderzoek uit. 'Dat fytoremedianten te klein zouden zijn, is niet helemaal waar, want deze planten groeien - in tegenstelling tot de meeste landbouwgewassen - het hele jaar door. Neem de zandzegge: een gerenommeerd miezertje, maar wel goed voor een productie van twaalf ton droge stof per hectare. Dat is veel minder dan bij een landbouwgewas, waar soms wel veertig ton per jaar wordt geoogst, maar het is rendabel.' Hij denkt dat matig vervuild slib met fytoremediatie in drie tot zes jaar zo schoon gemaakt kan worden, dat het te gebruiken is als bouwstof of afdekmateriaal.

Volgens ecotoxicoloog Leendertse is fytoremediatie te traag om een grote rol te kunnen spelen bij bodemsanering in stedelijk gebied, waar je een vervuilde locatie snel schoon wilt hebben. 'Maar in een landelijk gebied, waar dure oplossingen niet rendabel zijn, kan fytoremediatie een goed alternatief zijn. Mede omdat boeren zelf een rol bij de bodemsanering kunnen spelen: zij hebben immers ervaring met het telen van gewassen. Bovendien is een schone bodem in hun belang, wat hun bereidwilligheid om eraan te werken vergroot.' In agrarisch gebied is snelheid ook minder belangrijk. Door middel van wisselbouw kan het land productief blijven en er bovendien is er door de vervuiling meestal toch geen alternatieve bestemming voor de grond.

Planten met dieet
Een tweede nadeel van fytoremediatie is het dieet van de hyperaccumulatoren. Zinkboerenkers eet bijvoorbeeld graag zink, maar het sterft bij een te hoog kopergehalte. Of fytoremediatie een bruikbare methode is, hangt af van de stof waarmee de bodem verontreinigd is. Het komt er in ieder geval op neer dat fytoremediatie niet altijd te gebruiken is.

Het laatste probleem van fytoremediatie is de afvalverwerking. Wat laat je de plant met de zware metalen doen welke het, eenmaal volgroeid, bevat? In de Verenigde Staten is 'phytovotalization' (vervluchtiging) een veel gebruikte oplossing. Hierbij slaat de plant de vervuiling niet op, maar bindt die aan een koolwaterstofverbinding. Het geheel van metaal en koolwaterstof verlaat de plant gasvormig. Door genetische manipulatie is dit inmiddels mogelijk voor vervuiling met kwik en seleen. Deze methode is helaas niet echt ideaal, want het vuil regent later weer uit de atmosfeer en vervuilt ergens anders opnieuw de bodem. 'Ik heb er zo mijn bedenkingen bij', stelt Leendertse. 'Dilution is no solution for pollution, leer je als milieukundige.' Ook Ernst heeft grote bezwaren: 'Bij seleen is deze methode geen probleem, omdat dit element in zeer kleine hoeveelheden voor de gezondheid van mens en dieren noodzakelijk is, maar met kwik is verplaatsing een gruwel.'

Fytoextractie via hydrocultuur
Er is nog een oudere vorm van fytoremediatie, waarbij planten de vervuilende stof aan de grond onttrekken en opslaan: fytoextractie. Bij deze methode maakt Tabe Tietema gebruik van een hydrocultuur. De planten worden niet rechtstreeks in de vervuilde grond geplant, maar de bodem wordt gedraineerd (ontwaterd). Het drainagewater wordt door een reeks bakken met planten geleid. Deze methode, gebruikt bij een galvaniseerbedrijf in Alblasserdam, leverde 4 tot 35 gram zink per kilo droog plantengewicht in de wortels, en 300 tot 650 milligram in de bovengrondse delen. Dit terwijl gewone planten niet meer opnemen dan enkele milligrammen. Er zit zelfs zoveel zink in de wortels, dat die na verbranding interessant zijn voor de zinkindustrie.

De plantenresten zouden een schakel kunnen vormen in de recycling van zware metalen. Volgens Tietema zou fytoextractie zelfs winstgevend zijn en dus zou het in ieder geval kostendekkend zijn. Maar voorlopig geldt ook voor deze methode, dat het milieuprobleem alleen maar verplaatst. De metaalrijke planten worden namelijk verbrand en de as belandt op de reguliere vuilstort. Dat erkent Tietema: 'We maken met z'n allen de keuze dat we híer willen wonen en werken, en de grond dus schoon moet zijn, en dat dáár wel vuilnis mag liggen. Ik hoop dat de verbrandingsas in de toekomst met zinkerts mee een smelterij in mag. Dan heb je echte recycling, maar de zinkindustrie ziet dat voorlopig niet zitten.' Ernst vindt fytoextractie een mooie techniek. 'Maar je bent er pas, als de kringloop compleet is. Dat is voorlopig toekomstmuziek.'