En de herkomst
De tegenwoordige bodemsamenstelling van Nederland is niet altijd zo geweest. Door aardverschuivingen, ijstijden, fluviatiele afzettingen en dergelijke is deze veranderd.
Het aardoppervlak verandert constant door endogene en exogene krachten (krachten van binnenuit en van buitenaf). Het landschap verandert hierdoor. Deze processen gaan heel langzaam.
Volgens de 51e editie van de Grote Bosatlas (Wolters Noordhoff, 1996) zijn er
in Nederland twaalf grondsoorten. Volgens de kerndoelen is er sprake van
vier grondsoorten: klei, zand, veen en löss. Dit zijn dan ook de grondsoorten
die hier verder besproken worden en waarvan de verdeling in Nederland op
het kaartje hiernaast te zien is. Verder gaan we ook in op de zwelklei dat
recent in het nieuws verscheen.
|  |
Klei
Klei is heel fijn van structuur, de korreltjes zijn niet groter dan een paar duizendste millimeter. De poriën in kleigrond zijn dus heel klein, zodat water er moeilijk in wegzakt. Dat maakt dan ook dat pure klei niet geschikt is om planten op te laten groeien. In de natuur is klei altijd gemengd met zand. De kleigrond op de akkers bestaat altijd voor meer dan de helft uit zand.
Klei werd ooit afgezet door overstromingen. Dit kon gebeuren door de zee (zeeklei), en rivieren (rivierklei). Soms zijn rivieren bruin van het meegevoerde slib (synoniem voor klei). In de uiterwaarden van sommige grote rivieren staan nog steenfabrieken die de afgezette klei als grondstof benutten. Ook buiten de dijken van de rivieren liggen vaak dikke kleilagen. Zeeklei ligt in een brede strook in de kustgebieden van Groningen en Friesland, in de kop van Noord-Holland en op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden. Ook in de IJsselmeerpolders ligt veel zeeklei (zie kaartje).
Zand
Zand bestaat uit vrij grove korrels en heeft zo ook grote poriën waardoor water er gemakkelijker in wegzakt. Daardoor zijn hoge zandgronden droog. Boven op de zandheuvels van de Veluwe en op de toppen van de duinen verdrogen planten snel. Aan de grove korrels zit voor een plant ook weinig voedsel. Daarom noemen we zandgronden onvruchtbaar. Voor de landbouw moet er dan ook mest toegevoegd worden.
Het zand wat in Nederland voor komt is meestal komen aanwaaien. Gedurende de laatste ijstijd kwam de grens van het Scandinavische landijs tot in Denemarken en Noord-Duitsland te liggen. De Noordzee kwam droog te staan en 'Nederland' vormde één groot toendragebied. In die tijd werden de zandlagen hier neergelegd. Met de noordwesterstormen werd het Noordzeezand hierheen geblazen. Op veel plaatsen in Drenthe, op de Veluwe, en in Brabant kun je dit zand aan het oppervlak zien liggen. De afzetting van het zand, die duizenden jaren vergde, gebeurde tegelijk met die van de löss.
Om nu een duidelijk verschil tussen klei en zand te geven de volgende tabel:
| doorsnede korreltjes |
naam |
materiaal |
| 0,001 mm - 0,01 mm |
klei |
veldspaat |
| 0,01 mm - 0,1 mm |
leem |
|
| 0,1 mm - 2 mm |
zand |
kwarts |
Zoals te zien is bevindt de grondsoort leem die hier niet verder beschreven wordt qua korrelgrote zich tussen klei en zand in.
Veen
Veen is een grondsoort die niet bestaat uit korrels, maar uit samengeperste plantenresten. Dode planten hebben moerassen opgevuld met een laag halfverrotte resten. Zo kon over lange tijd veen ontstaan. Deze grondsoort vinden we dan ook in voormalige moerasgebieden. Deze moerasgebieden lagen van de Hollandse duinen tot de Utrechtse heuvelrug en in de hogere delen van Nederland, zoals in Drenthe en Noord-Brabant.
Veen houdt water vast en werkt als een spons. Veengrond is dus een drassige grond. Als je die wilt gebruiken voor de landbouw moet het grondwaterpeil verlaagd worden. Als je veen echter te veel laat uitdrogen, neemt het geen water meer op. Vanaf de Middeleeuwen werd veen afgegraven en gedroogd. Gedroogd veen heet turf. Vroeger werd dit in de kachel gestookt.
Löss
Löss ligt wat korrelgrootte betreft tussen zand en klei in. De poriën zijn klein. Regenwater wordt dan ook beter vastgehouden dan bij zand. Zo kun je ook boven op een lössheuvel van Zuid-Limburg akkers aanleggen. Planten verdrogen daar niet zo snel. Fijne zandkorrels houden ook meer plantenvoedsel vast dan grove, dit komt door minder uitspoeling. Löss is dus wel vruchtbaar./p>
Löss kwam eveneens in de ijstijd uit de droge Noordzee aanwaaien, maar dan meestal verpakt in sneeuwvlokken. Doordat dit materiaal fijner was dan het zand, kwam het ook verder weg: in Zuid-Limburg. Maar ook in de luwte van de stuwwal bij Nijmegen kwam het omlaag.
Zwelklei
Een nieuw fenomeen wat betreft grondsoorten is de recent ontdekte zwelklei, wat voor komt in delen van Groningen, Friesland en in West-Friesland. Er zijn verschillende soorten zwelkleien, allen met een specifiek gedrag. Ze worden resp. krimpklei, knikklei, knipklei of pikklei genoemd. Het is een kleisoort dat veel water kan opnemen en daarbij uitzet, terwijl het bij droogte weer krimpt. Bij het krimpen verliest de klei niet alleen het poriewater maar ook vocht uit de kristalstructuur. Dit krimpen en uitzetten kan enorme gevolgen hebben voor woningen die op de zwelklei zijn gebouwd, zoals verzakkingen, scheuren en instortingsgevaar.
Een eigenschap die wijst op zwelklei is een hoge plasticiteitindex. Hierbij ontbreekt een duidelijke structuur, de klei is bijna kalkloos en heeft een zeer hoog lutum-gehalte (hoog percentage kleideeltjes). Testen met behulp van methyleen blauw en vrije zweltesten kunnen aantonen dat het gaat om echte zwelklei. Een vrije zwel van 30-60% en de classificatie van alle monsters in het bereik van actieve tot zeer actieve bodem ondersteunen deze gegevens. Ontwateringanalyses tonen de aanwezigheid aan van montmorilloniet, het zwelkleimineraal bij uitstek met sterke zwelpotentie. De zwelklei toont grote verschillen met klei onder en boven de laag.
In Groningen, in het gebied waar aardgas gewonnen wordt, komen meer aardbevingen voor dan ergens anders in het land. Ook lijkt het dat de aardbevingen in dat gebied een grotere impact hebben dan ergens anders in het land. De oorzaak hiervoor hoeft nu niet meer alleen bij het inzakken van de bodem te liggen door gaswinning. Mogelijk ligt de (mede)oorzaak bij de zwelklei wat daar is ontdekt. Door het inzakken van de bodem, als gevolg van de gaswinning, en de spanningen die ontstaan bij het zwellen en krimpen van de zwelklei kan een aardbeving in het betreffende gebied meer schade aanrichten. In het blad Natuurwetenschap en Techniek (april 2004) wordt in een artikel over dit onderwerp gemeld dat zwelklei de gevolgen van gaswinning versterkt.
De gevolgen van zwelkei worden op dit moment nog grondig onderzocht. Vooral de bodemdaling, ten gevolge van de gaswinning, evenals ten gevolge van de ondiepe geologische processen. Een opsomming van een aantal relevante onderzoeksgebieden is te lezen in het rapport van Groundcontrol en op de website (www.ground-control.nl). Op deze website zullen eveneens onderzoeksresultaten worden gepresenteerd van lopende onderzoeken en voorlichting over bodemdaling.
|