Nader bekeken

Natuurlijk heeft mest alles te maken met grond. We zullen ook dit onderwerp daarom eens wat beter bekijken.


 

Mest

Om landbouwgronden vruchtbaar(der) te maken, was en is mest voor veel boeren een belangrijk product. Tegenwoordig horen we over mest echter ook negatieve dingen. Milieubewegingen klagen over het mestoverschot in ons land en over de gevolgen daarvan voor de natuur en het grond- en oppervlaktewater. Er moet dus beleid zijn om de belangen van beide groepen te behartigen en dat is niet echt eenvoudig.

Mest bestaat uit dierlijke uitwerpselen of uit kunstmatig verkregen stoffen. De stoffen in de mest zijn organische stoffen en mineralen. Een te veel aan mineralen is niet goed voor de bodem en tast de natuur en het grond- en oppervlaktewater aan. De overheid en de agrarische sector zoeken samen naar oplossingen om deze milieubelasting te beperken.


 

Ontstaan mestprobleem

Met de hongerwinter in het geheugen heerste vlak na de Tweede Wereldoorlog de gedachte dat ons land voor haar voedsel niet afhankelijk moest zijn van andere landen. Dankzij de technologie begon de productie enorm te groeien. Door de uitvinding van kunstmest konden boeren en veevoeders veel dieren gaan houden op een klein stukje grond. Nederland werd de derde exporteur ter wereld van agrarische producten. De hoeveelheid vee nam sterk toe en dus ook de geproduceerde hoeveelheid mest. De boeren reden hen (overtollige) mest in steeds grotere hoeveelheden uit op akkers en grasland. Begin jaren 70 klonken de eerste negatieve geluiden. Mest zou slecht zijn voor bodem, water en lucht. Een van de oorzaken hiervan bleek de combinatie van mest en lucht te zijn.

Ammonium, een stof die in mest zit, komt als ammoniak vrij. Als ammoniak op de bodem terechtkomt, levert het een bijdrage aan de verzuring van de bodem. Ook voor de grond bleek een te veel aan mest, door uit- en afspoeling van mineralen in de grond, negatieve gevolgen te hebben. Uitspoeling, waarbij een overvloed van mineralen via het regenwater in het grondwater komt, is slecht omdat het grondwater daardoor wordt vervuild. Afspoeling is slecht voor het oppervlaktewater zoals sloten, plassen en meren. Als er te veel nitraat (mineraal) in het grondwater zit, moet dit water tegen hoge kosten worden gezuiverd. Te veel nitraat in het drinkwater is ongewenst omdat nitraat kan worden omgezet in een stof die giftig is voor mensen. Teveel fosfaat, een ander mineraal dat via mest in het oppervlaktewater terecht kan komen, zorgt zomers voor grote algengroei. Algen leven heel kort. Als ze dood gaan, zakken ze naar de bodem. De afbraak van dode algen kost heel veel zuurstof. Hierdoor komen vissen in zuurstofnood en sterven. Een te veel aan mest heeft dus nogal wat gevolgen voor het milieu.


 

Plantenvoedsel

Gewassen zoals maïs, tarwe en gras groeien dankzij voedingsstoffen die in de bodem aanwezig zijn. Voedingsstoffen zijn onder meer mineralen zoals stikstof, fosfaat, kalium en sporenelementen als koper, mangaan, zink en ijzer. Gewassen zijn afhankelijk van de grond waarin ze groeien. Het ene gewas heeft nu eenmaal meer voedingsstoffen nodig dan het andere. Op arme zandgronden, die weinig voedingsstoffen bevatten, worden daarom andere gewassen verbouwd dan op rijke kleigronden die relatief veel voedingsstoffen bevatten. Zandgronden zijn vooral te vinden in het zuiden en oosten van ons land, kleigronden in het noorden. Bij de oogst worden gewassen als gras, aardappels, spruitjes en bloemkool van het land gehaald en daarmee meestal ook de voedingsstoffen. De bodem verarmt daardoor, tenzij deze wordt bemest. Door bemesting worden fosfaat, stikstof en kalium weer aangevuld. Bovendien kan het gebruik van bepaalde meststoffen, zoals kalk, de bodemvruchtbaarheid extra vergroten. Naast de soort bodem bepalen ook bijvoorbeeld de aanwezigheid van water en de doorlatendheid van de bodem de plantengroei.


 

Dierlijke mest

We hebben nogal wat dieren in Nederland en dus veel mest. Op de agrarische bedrijven in ons land is in 1994 ruim 83 miljoen ton aan dierlijke mest geproduceerd. Daarvan is berekend dat ongeveer 1 procent over is. Dat is een mestoverschot van 16,8 miljoen ton dierlijke mest. Van de 83 miljoen ton mest is ongeveer 75 procent van rundvee en mestkalveren afkomstig, 22 procent van varkens en de overige drie procent van pluimvee. Een gedeelte van deze mest komt, als het vee in de wei staat, direct op het land terecht. De overige mest, die afkomstig is van vee dat in stallen staat, wordt direct gedroogd en afgevoerd, of tijdelijk opgeslagen in een afgesloten mestopslagplaats waar geen ammoniak uit kan ontsnappen. Voor het grootste deel is deze mest in de vorm van drijfmest. Drijfmest is mest en gier (mestvocht) bij elkaar. Deze mest wordt over de landbouwgronden uitgereden met een zogenaamde injecteur. Er zitten niet altijd voldoende voedingsstoffen in dierlijke mest. Dat maakt de dosering moeilijker dan de dosering van kunstmest, waar het gehalte aan voedingsstoffen vrij nauwkeurig vaststaat.


 

Kunstmest

Kunstmest is kunstmatig bereid. Planten halen er dezelfde voedingsstoffen uit als uit dierlijke mest. Stikstof is één van de belangrijkste voedingsstoffen voor de plant. In de natuur is dit mineraal in ruime hoeveelheden aanwezig, maar niet in de vorm waar planten iets aan hebben. Planten kunnen stikstof alleen opnemen als het gebonden is aan een ander element, bijvoorbeeld zuurstof of waterstof. Bij de bereiding van kunstmest wordt stikstof kunstmatig aan deze elementen gebonden. In Nederland wordt veel kunstmest gebruikt in de landbouw. Samen met de hoge hoeveelheden dierlijke mest zorgt dit in veel gevallen voor overbemesting.


 

Overbemesting

De negatieve gevolgen van overbemesting zijn niet op korte termijn te merken. De bodemsamenstelling verandert namelijk langzaam. Aantasting van het milieu is het duidelijkst waarneembaar in gebieden met kalkarme zandgronden in het zuiden en oosten van Nederland. Deze gronden houden nauwelijks voedingsstoffen vast in de bodem. Als deze stoffen terechtkomen in een natuurgebied, dan zullen de planten die maar weinig voedingsstoffen nodig hebben, verdwijnen. Daarvoor in de plaats komen planten die juist veel voedingsstoffen nodig hebben. Door overbemesting verandert de bodem dus, waardoor de plantengroei in deze gebieden eenzijdiger wordt.

Dierlijke mest kan ook stoffen bevatten die helemaal niet noodzakelijk zijn voor de groei van planten, bijvoorbeeld zware metalen. Deze komen via het veevoer in de mest terecht. Als zware metalen in beperkte mate op het land worden verspreid, zijn ze niet direct slecht voor de omgeving. Als echter langere tijd meer zware metalen op het land terechtkomen, dan er worden onttrokken, is dat een probleem voor de kwaliteit van de bodem. Sommige gewassen nemen dan te veel van deze metalen op, waardoor mensen en dieren deze landbouwproducten beter niet meer kunnen eten. Als deze metalen in de bodem achterblijven, komen ze na verloop van tijd ook in het grond- en oppervlaktewater terecht. De metalen brengen niet alleen schade toe aan de plantengroei en het bodemleven. Door middel van het drinkwater kan ook de gezondheid van de mens in gevaar komen.


 

Aanpak tegen mestoverschotten

Elke veehouderij mag per jaar een bepaalde hoeveelheid mest produceren, het mestproductierecht of mestquotum. De overheid heeft ook bemestingsnormen ingevoerd, welke steeds lager worden. Een aantal andere oplossingen voor het mestoverschot:

  • het gebruik van mineralenarmer veevoer
  • de distributie van mest van gebieden met overschotten naar gebieden met tekorten
  • de verwerking en export van mest

Tot halverwege de jaren negentig stimuleerde de regering het afzetten van overtollige mest bij agrarische bedrijven die de mest wel konden gebruiken. Het mestoverschot van gebieden in het zuiden en oosten werd gebracht naar gebieden in het noorden en westen van ons land. Omdat deze oplossing in de praktijk niet voldoende zou zijn om de milieubelasting van mest voldoende te beperken, vond de regering aan het eind van de jaren tachtig dat ook een deel van de mest moest worden verwerkt en geëxporteerd. Dit verwerken moest gebeuren in zogenaamde mestfabrieken. In deze fabrieken wordt het water uit de mest gehaald en wordt de mest verwerkt tot droge mestkorrels. Deze mestkorrels kunnen een vervanger zijn van kunstmest.

Acht jaar later, in 1994, bleek het beleid met de Meststoffenwet en de Wet Bodembescherming niet voldoende. Grootschalige mestverwerking liet te lang op zich wachten, terwijl in het milieu geen verbetering waar was te nemen. Ook leek het mestoverschot minder af te nemen dan was verwacht.


 

Mest- en ammoniakbeleid vanaf 1995

De landbouwsector moest zich de jaren hierna ontwikkelen in de richting van een milieuvriendelijke landbouwsector. De Integrale Notitie mest- en ammoniakbeleid van 1995 geeft een nieuwe richting aan mest en milieu. Nieuw is dat boeren met veel vee voortaan verplicht zijn aangifte te doen van mineralenverliezen door middel van een zogenaamde mineralenboekhouding. Dit is een administratiesysteem waarin de boer aangeeft hoeveel fosfaat en stikstof hij op zijn bedrijf aanvoert (in de vorm van veevoer en kunstmest) en hoeveel fosfaat en stikstof hij van zijn bedrijf afvoert (in de vorm van bijvoorbeeld melk, gewassen, vlees en mest). Als het verschil groter is dan de vastgestelde verliesnormen moet de boer een heffing betalen. Deze verliesnormen zijn geleidelijk aangescherpt. Op deze manier komen er steeds minder mineralen in het milieu terecht. Uiteindelijk zullen de mineralenverliezen zo laag zijn dat ongewenste schade aan natuur en water kan worden voorkomen.


 

Biologische landbouw

Er bestaat al een vorm van landbouw waarbij helemaal geen kunstmest wordt gebruikt. Dat is biologische landbouw. Deze vorm van landbouw is voor het milieu natuurlijk gunstig, hoewel ook biologisch werkende boeren zich gewoon aan de mestwetgeving moeten houden. Biologische veehouderij heeft naast milieuvoordelen vaak ook voordelen voor het welzijn van dieren. Bij deze bedrijven zit het vee niet allemaal op een kleine oppervlakte, waardoor de dieren meer bewegingsvrijheid hebben. Je kunt landbouwproducten kopen met de Milieukeur of het EKO-keur. Deze landbouwproducten zijn op milieuvriendelijke wijze geteeld. Dat betekent dat de boer bij deze producten zo min mogelijk chemische gewasbeschermingsmiddelen en (kunst-)mest heeft gebruikt.