|
Muzikale structuren
Grondbeginselen
|
Woord vooraf
Deze tekst is niets meer dan een strikt
rationele beschrijving van elementen en structuren in de muziek, waarmee
een componist, een dirigent, een speler of zanger artistieke talenten kan
ontplooien en voorbrengen tot meerder luistergenot van toehoorders en publiek.
Deze tekst is vergelijkbaar met de
wetenschappelijke beschrijving van de kleuren, vormen en perspectief van
schilderijen, of van de structuur en scheikundige samenstelling van eetwaren
of geuren, deze dragen eveneens niets bij tot de artistieke waarde van
een doek, of tot de prestaties van kok, noloog, of parfumeur.
Deze tekst verandert dus NIETS of
voegt NIETS toe aan de huidige musicologische theorieën of inzichten.
Hij is slechts een poging om alle elementaire rationele elementen betreffende
muziek op een bondige en bevattelijke wijze samen te brengen.
De tekst kan gelezen worden zonder
de formules in de tekst te begrijpen. De formules worden slechts gegeven,
opdat de tekst volledig zou zijn voor diegenen die de formules wél
begrijpen of er door geïnteresseerd zijn.
De tekst is bedoeld voor de volslagen
leek op muzikaal gebied, want het is niet gemakkelijk om als leek elementaire
"technische" literatuur op muzikaal gebied te vinden; cultureel historische
literatuur daarentegen is er in overvloed.
De tekst kan dienen als basis om de
tekst "Bach- and Well-Temperaments" begrijpelijk te kunnen lezen. In "Bach-
and Well-Temperaments" wordt een objectieve definitie voorgesteld van de
welgetemperde wijze van stemmen, waarbij het echter duidelijk moet zijn
dat de muzikale definitie, bijvoorbeeld deze van Werckmeister, blijft primeren.
Klassieke muzikale vorming is en
blijft vereist om artistieke muzikale prestaties te kunnen leveren.
Dit ligt buiten het doel van deze tekst.
1 Muziek
Muziek is een geordende vorm van geluid,
en bestaat uit een opeenvolging van in de tijd gespreide klanken.
Een geluid is een door het oor waarneembare
vorm van trillingen van de lucht. Trillingen in de lucht veroorzaken kleine
luchtdrukvariaties, die zich in de omgeving voortplanten met een snelheid
van circa 340 meter per seconde; dit is de snelheid van het geluid.
Een klank is samengesteld uit een
som van al dan niet gedempte harmonische trillingen.
2 Harmonische Trillingen
Gedempte trilling: hiermee word een trilling
bedoeld die in de tijd uitsterft, en niet een trilling waarvan het volume
of de klank door een of ander kunstmiddel verminderd wordt.
Één gedempte harmonische
trilling is een trilling die verloopt volgens een zuivere sinusoïde,
die met de tijd exponentieel vermindert in volume.
Deze wijze van trillen wordt voorgesteld
door figuur 1 en formule 1:
 |
 |
Formule
1
|
In deze formule heeft
men volgende definities:
s :
de dempingsfactor.
deze
bepaalt hoe snel de
amplitude
afneemt in de tijd |
t :de tijd
a : de amplitude
f : de frequentie
j
: de faseverschuiving |
|
Indien niet gedempt (dit is indien s
=0, zodat ),
dan wordt de harmonische trilling voorgesteld door figuur 2 en formule
2:
 |
 |
Formule 2
|
3 Klanken
3.1 Periodieke trillingen
Veruit de meeste muziekinstrumenten genereren
specifieke periodieke trillingen, en hebben daardoor een specifieke klank.
Periodieke trillingen zijn trillingen
met een bepaalde golfvorm, die zich in de tijd steeds weer herhaalt.
Fourier (Frankrijk, 1768 - 1830) heeft
aangetoond dat elke niet gedempte periodieke trilling, die wij hier f(t)
noemen, kan ontleed worden in een som van niet gedempte harmonische trillingen,
volgens formules 3 en 4 hieronder:
 |
Formule 3
|
met
 |
en
|
 |
Formule 4
|
Volgens formule 3 is een ongedempte periodieke
trilling dus samengesteld uit harmonische trillingen waarvan alle samenstellende
frequenties een veelvoud zijn van een grondfrequentie. De harmonische met
grondfrequentie kan zelf ook een component van de klank zijn, maar dit
is niet noodzakelijk vereist: de grondfrequentie mag ook ontbreken in deze
reeks.
Mathematisch uitgedrukt, luidt de
frequentie-eis voor een harmonische muzikale klank:
met |
n ³
1, en geheel
en
zeer klein ten overstaan van f |
Formule 5
|
-
Deze basisfrequentie f
noemt men de grondtoon, of grondharmonische, of fundamentele harmonische,
-
De bovenliggende frequenties noemt men
boventonen of hogere harmonischen
Opdat een klank door het oor waarneembaar
zou zijn, moeten de frequenties fn
voor zeer goed horende mensen liggen binnen een bereik dat gaat van 20
tot 20.000 trillingen per seconde (ook Hertz genoemd). De meeste mensen
hebben echter een kleiner hoorbereik.
Klanken met bovenstaande eigenschappen
zijn meestal zeer aangenaam voor het oor.
Enkele zeer eenvoudige klanken, echter
niet van de beste op muzikaal gebied, worden bijvoorbeeld weergegeven in
figuren 3 en 4:
3.1.1 De vierkantsgolf:
 |
Fourier analyse van deze
golfvorm geeft een harmonische inhoud volgens formule 6:

|
Formule 6
|
Deze klank bevat alleen oneven harmonischen.
3.1.2 De zaagtand:
 |
Fourier analyse van deze
golfvorm geeft een harmonische inhoud volgens formule 7:

|
Formule 7
|
Deze klank bevat even en oneven harmonischen.
3.1.3 Andere periodieke klanken:
Bij middel van Fourier-integraties
uitgevoerd op meetkundig gedefiniëerde golfvormen, kunnen nog talloze
andere voorbeelden theoretisch uitgewerkt worden.
Klanken die door akoestische muziekinstrumenten
opgewekt worden zijn echter meestal veel complexer dan bovenstaande voorbeelden,
maar voldoen wel aan de eis van formule 5.
Periodieke klanken zijn zeer belangrijk
in de muziek, en zij worden voortgebracht door alle blaasinstrumenten,
en door snaarinstrumenten die continu aangedreven worden, zoals bijvoorbeeld
viool, cello, enz
3.2 Frequentiespectrum van een klank
De kenmerkende akoestische en muzikale
eigenschappen van een klank hangen vooral af van de frequentie en de amplitude
van de verschillende harmonische trillingen die hem samenstellen, faseverschillen
blijken niet belangrijk te zijn. Daarom worden de frequentie-componenten
van de klank dikwijls grafisch weergegeven in een frequentiespectrum, zoals
geschetst in figuren 5 en 6 hieronder:
3.3 Gedempte periodieke klanken
Men kan zoals bij niet gedempte periodieke
klanken, vaststellen dat een gedempte periodieke klank samengesteld is
uit harmonische trillingen, maar nu zijn ook deze gedempt. De frequenties
van de harmonische componenten dienen ook hier te voldoen aan de vereisten
van formule 5, dat ze allen een veelvoud zijn van één grondfrequentie.
Ook gedempte periodieke klanken zijn
voor de muziek zeer belangrijk.
De beste gekende zijn de klanken voortgebracht
door bijvoorbeeld piano, klavecimbel of harp.
Bij gedempte periodieke klanken dient
er opgemerkt te worden dat niet alle harmonischen dezelfde demping moeten
hebben. Dit heeft als effect dat de klank kan veranderen tijdens het uitsterven.
Meestal sterven de hogere harmonischen het snelst uit.
3.4 Niet periodieke klanken
Het is niet steeds gemakkelijk een
analyse te maken van de samenstelling van niet periodieke klanken. Niet
periodieke klanken kunnen ontleed worden in een niet geordende som van
harmonische trillingen, maar ze voldoen zeker niet aan de vereisten van
formule 5.
Het meest extreem geval van niet periodieke
klank is de zogenaamd "witte ruis".
Witte ruis omvat ALLE frequenties,
met GELIJKE AMPLITUDE voor elke frequentie.
Men kan een zeer goede benadering
van witte ruis horen bij een niet afgestemde ANALOGE FM-radio- of TV-ontvanger:
bij DIGITALE telecommunicatie is er ook ruis, maar deze is ingevolge de
digitale modulatie- en demodulatietechnieken niet meer waarneembaar.
4 Zwevingen
Indien men gelijktijdig twee harmonische
trillingen van gelijke frequentie heeft, dan zullen deze versmelten tot
één trilling op dezelfde frequentie, maar met gewijzigde
amplitude en fase. Dit kan zeer eenvoudig mathematisch aangetoond worden.
-
Twee gelijktijdige trillingen van gelijke
frequentie kunnen voorgesteld worden als:
 |
Formule 8
|
-
Enkele bewerkingen laten toe om dit te
herschrijven als:
 |
Formule 9
|
-
In formule negen heeft men binnen de sinus
slechts één term die functie is van de tijd en dus aanleiding
geeft tot periodieke trillingen: de term 2.p.f.t.
-
De andere termen kunnen in de tijd veranderen
indien ze een dempingsfactor bevatten in a
en of b (zie formule 1) maar ze veroorzaken
geen periodieke verschijnselen:
-
a en
b
zijn constanten
-
de bgsin functie
heeft steeds een waarde tussen a
(voor b=0) en b
(voor a=0).
-
De demping heeft in de tijd dus hoogstens
een beperkte invloed op de amplitude en de fase.
4.1 Zwevingen tussen harmonische trillingen
Indien twee harmonische trillingen
een nagenoeg gelijke frequentie hebben, dan zullen ze versmelten tot één
trilling van nagenoeg gelijke frequentie, maar waarbij in de trilling trage
periodieke wijzigingen hoorbaar zijn, die men zwevingen noemt.
Zwevingen tussen harmonische trillingen
zijn het best waar te nemen indien de twee harmonische trillingen een gelijke
amplitude hebben, omdat ze dan samensmelten in één zwevende
trilling zonder andere bijhorende geluiden. De frequentie van het hoorbaar
geluid is dan het gemiddelde van de twee, en de frequentie waarmee dit
geluid zweeft is zuiver mathematisch gesproken, gelijk aan het halve verschil
van de twee, zoals aangetoond door formule 10, en in figuur 7 hieronder,
opgemaakt bij middel van een simulatie in een rekenblad.
 |
 |
Formule 10
|
Belangrijke bemerking: bij akoestische
waarnemingen spreekt men steeds van een akoestische zwevingsfrequentie,
die gelijk is aan het HELE verschil van de twee frequenties, in plaats
van het HALVE verschil, zoals weergegeven in de cosinus-functie van formule
9.
Zoals op figuur 7 kan vastgesteld worden,
komt dit doordat de trilling twee maal door een maximum en een minimum
gaat gedurende één periode van de cosinus-functie (de "mathematische"
zwevingsfrequentie in deze formule).
Ook indien de twee harmonische trillingen
ongelijke amplitude hebben kunnen er hoorbare zwevingen ontstaan: de zwevende
trilling is een harmonische trilling met een frequentie die gelijk is aan
de gemiddelde frequentie van de twee harmonische trillingen, maar die op
een zeer complexe wijze in amplitude en fase gemoduleerd is op een frequentie
gelijk aan de verschilfrequentie.
Dit kan vastgesteld worden aan de hand
van figuur 8, en van formule 11 hieronder:
|
 |
Formule 11
|
 |
met |
 |
Voor ALLE gevallen waar een zweving
optreedt, is de AKOESTISCHE zwevingsfrequentie dus:
fzweving = fa - fb
Formule 12
Afhankelijk van het verschil in toonhoogte
van de twee oorspronkelijke harmonische trillingen, kunnen bepaalde zwevingsfrequenties
voor het oor zeer hinderlijk zijn; deze combinaties noemt men dissonant.
Het vermijden van dissonanties is
de vereiste waaraan men poogt te voldoen bij:
-
Het definiëren van de noten van een
toonladder
-
Het stemmen van een instrument
-
Het uitwerken van harmonische akkoorden
Wanneer het verschil in frequentie van
twee gelijktijdige harmonische trillingen voldoende groot wordt, worden
ze beide opnieuw als afzonderlijke trillingen waargenomen.
4.2 Zweving tussen twee klanken
Ook in het geval dat men twee klanken
tegelijk hoort, en klanken kunnen zoals hierboven uiteengezet talloze harmonischen
bevatten, kan men zwevingen horen.
Wij bespreken hier een aantal tweeklanken
die in de muziek belangrijk zijn, en waarbij er geen zwevingen worden waargenomen.
Omwille van de afwezigheid van zwevingen
worden de hieronder besproken verhoudingen "rein" genoemd.
4.2.1 Verhouding 1/1 tussen grondtonen
De grondtonen en alle harmonischen
van de twee klanken f1 en f2
hebben dus samenvallende frequenties.
Zelfs al zijn er mogelijk verschillen
in amplitude, demping en fase, toch zullen de harmonischen van beide klanken
steeds samenvallen en dus versmelten tot één nieuwe harmonische,
zoals reeds aangetoond met de berekening van formules 8 en 9.
Bij afwezigheid van zwevingen spreekt
men van een perfect unisono.
Een toonafstand tussen twee klanken
wordt in de muziek een "interval" genoemd.
Het "interval", de toonafstand tussen
twee klanken dus, met een frequentie-verhouding gelijk aan 1/1, krijgt
als naam: "prime" (zie verder "5 Muzieknoten", in de toelichtingen
bij tabel 4)'.
Zodra er echter een klein verschil
in frequentie optreedt zullen alle harmonischen van de ene klank zweven
met de corresponderende harmonischen van de andere klank.
Dit verschijnsel is bijna steeds overduidelijk
waarneembaar.
De frequentie van de zwevingen tussen
de grondtonen bedraagt (zie ook formule 12):
fzwevingen = f2 - f1
Formule 13
4.2.2 Verhouding 2/1 tussen grondtonen
(f2/f1=
2)
De frequentiespectra van beide klanken
zijn hieronder samen weergegeven in figuur 9.
Voor de eenvoud van de uiteenzetting wordt
verondersteld dat alle getekende harmonischen éénzelfde amplitude
hebben.
In de muziek definieert men dit interval
als: "octaaf" (zie verder "5
Muzieknoten", in de toelichtingen bij tabel 4)'.
Alle even harmonischen van f1
vallen samen met alle harmonischen van f2.
66% van alle harmonischen vallen dus
samen.
Doordat zeer veel harmonischen samenvallen,
zal een kleine verschuiving in de grondtoon volstaan om zeer sterk waarneembare
zwevingen te hebben.
De laagst waarneembare zweving heeft
plaats tussen de 2-de harmonische van f1
en de grondtoon van f2. De
frequentie van deze zweving bedraagt:
fzwevingen = f2 - 2.f1
Formule 14
4.2.3 Verhouding 3/2 tussen grondtonen
(f2/f1=
3/2)
De frequentiespectra van deze klanken staan
geschetst in figuur 10 hieronder.
In de muziek definieert men dit interval
als: "kwint" (zie verder "5
Muzieknoten", in de toelichtingen bij tabel 4).
Alle derde harmonischen van f1vallen
samen met alle even harmonischen van f2.
40% van alle harmonischen vallen dus
samen.
Een kleine verschuiving in de grondtoon
zal leiden tot sterk waarneembare zwevingen, maar minder sterk dan bij
het octaaf.
De laagst waarneembare zweving heeft
plaats tussen de 3-de harmonische van f1
en de 2-de harmonische van f2.
De frequentie van deze zweving bedraagt:
fzwevingen = 2.f2 - 3.f1
Formule 15
4.2.4 Verhouding 4/3 tussen grondtonen
(f2/f1= 4/3)
De frequentiespectra staan geschetst in
figuur 11 hieronder.
In de muziek definieert men dit interval
als: "kwart" (zie verder "5
Muzieknoten", in de toelichtingen bij tabel 4)'.
Alle vierde harmonischen van f1
vallen samen met alle derde harmonischen van f2.
29% van alle harmonischen vallen dus
samen.
Een kleine verschuiving in de grondtoon
zal leiden tot sterk waarneembare zwevingen, maar minder sterk dan bij
de kwint.
De laagst waarneembare zweving heeft
plaats tussen de 4-de harmonische van f1
en de 3-de harmonische van f2.
De frequentie van deze zweving bedraagt:
fzwevingen = 3.f2 - 4.f1
Formule 16
4.2.5 Verhouding 5/4 tussen grondtonen (f2/f1=
5/4)
De frequentiespectra staan geschetst in
figuur 12 hieronder.
In de muziek definieert men dit interval
als: "grote terts" (zie verder
"5 Muzieknoten", in de toelichtingen bij tabel 4).
Alle vijfde harmonischen van f1
vallen samen met alle vierde harmonischen van f2.
22% van alle harmonischen vallen dus
samen.
Een kleine verschuiving in de grondtoon
zal leiden tot waarneembare zwevingen. Op sommige instrumenten, afhankelijk
van de harmonische samenstelling van de klank, is de onzuiverheid van de
grote terts niet meer zo gemakkelijk waar te nemen.
De laagst waarneembare zweving heeft
plaats tussen de 5-de harmonische van f1
en de 4-de harmonische van f2.
De frequentie van deze zweving bedraagt:
fzwevingen = 4.f2 - 5.f1
Formule 17
4.2.6 Verhouding 6/5 tussen grondtonen (f2/f1=
6/5)
De frequentiespectra staan geschetst in
figuur 13 hieronder.
In de muziek definieert men dit interval
als: "kleine terts" (zie verder
"5 Muzieknoten", in de toelichtingen bij tabel 4).
Alle zesde harmonischen van f1
vallen samen met alle vijfde harmonischen van f2.
19% van alle harmonischen vallen dus
samen.
Een kleine verschuiving in de grondtoon
zal leiden tot waarneembare zwevingen. Van alle hier besproken tweeklanken
zijn de zwevingen van deze tweeklank het moeilijkst waar te nemen.
De laagst waarneembare zweving heeft
plaats tussen de 6-de harmonische van f1
en de 5-de harmonische van f2.
De frequentie van deze zweving bedraagt:
fzwevingen = 5.f2 - 6.f1
Formule 18
4.2.7 Verhouding 5/3 tussen grondtonen (f2/f1=
5/3)
De frequentiespectra staan geschetst in
fuguur 14 hieronder.
In de muziek definieert men dit interval
als: "sext" (zie verder "5
Muzieknoten", in de toelichtingen bij tabel 4).
Alle vijfde harmonischen van f1
vallen samen met alle derde harmonischen van f2.
25% van alle harmonischen vallen dus
samen.
Een kleine verschuiving in de grondtoon
zal leiden tot waarneembare zwevingen.
De laagst waarneembare zweving heeft
plaats tussen de 5-de harmonische van f1
en de 3-de harmonische van f2.
De frequentie van deze zweving bedraagt:
fzwevingen = 3.f2 - 5.f1
Formule 19
4.2.8 Meer dan twee klanken
Een zeer klassieke combinatie omvat bijvoorbeeld
het samenbrengen van vier klanken met frequentieverhoudingen 1, 5/4, 3/2
en 2/1, maar er zijn nog talloze andere mogelijkheden.
Bij de hier gestelde combinatie is het
alsof er een nieuwe klank ontstaat met grondfrequentie gelijk aanf1/4,
maar waarvan een aantal harmonischen ontbreken: zoals de grondtoon zelf,
en de harmonischen met rang 2, 3, 7, 9, 11, 13, 14, 17, 19, 21, 22, 23
.
Zie figuur 15: alle bestaande harmonischen
vallen steeds samen met een verdeling of tussenverdelingen op f1,
representatief voor de harmonischen op f1/4.
Goed klinkende combinaties van klanken
krijgen in de muziek de naam "akkoord".
Het is meestal niet eenvoudig of evident
om de samenklank van muzikale akkoorden te verduidelijken en te verklaren,
zoals gedaan in dit voorbeeld.
Het is zelfs mogelijk dat bepaalde
klanken mooi samenklinken op bepaalde muziekinstrumenten, en op andere
dan weer niet, afhankelijk van de harmonische structuur van de klank van
het instrument.
De klassieke muziekleer bestudeert
zeer grondig de harmonie van akkoorden, en de "Harmonieleer" is voor deze
muziek een uitzonderlijk belangrijk vak.
5 Muzieknoten
Deze paragraaf bespreekt rekenkundige
structuren waarop muzieknoten kunnen worden opgebouwd. Het cultureel-historisch
facet van hun ontstaan wordt hier niet besproken.
Onder paragraaf 4 werd de basisstructuur
van aangename samenklanken geanalyseerd.
De besproken verhoudingen waren samengesteld
op basis van priemgetallen: 1, 2, 3 en 5. Men zou ook kunnen denken aan
verhoudingen opgebouwd met hierop volgende priemgetallen, maar dit wordt
in de klassieke muziek nauwelijks toegepast. De factor 7 is meestal zelfs
niet gewenst omdat ervaren werd dat zijn gebruik storend kan interfereren
met de andere verhoudingen.
Men kan reeksen van klanken uitbouwen
die paarsgewijs goed zullen samenklinken, bij middel van een opeenvolgend
gebruik van de onder 4 besproken verhoudingen.
Dit leidt tot de klankverzameling
van de klassieke muziek: de muzieknoten.
5.1 Gebruik van de verhouding 2/1 - het
octaaf
Het gebruik van de verhouding 2/1 op zich
leidt tot de reeks
1/4, 1/2, 1, 2, 4, 8, 16,
Bij akoestische waarneming van klanken
volgens deze reeks ervaren wij deze als weinig van elkaar verschillend,
met bovendien nog ruimte voor klanken met tussenliggende toonhoogte.
Een groep op zich van klanken die
zich verhouden als 2/1 is daarom te beperkt voor het maken van muziek,
maar is toch zeer belangrijk.
Doordat de mens klanken volgens deze
reeks als gelijk ervaart, met alleen het verschil in toonhoogte, krijgen
ze in de muziek éénzelfde naam: de naam van één
noot.
Voor de noot "la" bijvoorbeeld heeft
men voor de reeks van grondharmonischen de volgende frequenties:
20 £
27,5 55, 110, 220, 440 Hertz, 880, 1.760, 3.520, 7.040, 14.080 £
20.000
Noot: Doordat een klank harmonischen
bevat, kan ons oor soms ook klanken lager dan 20 Hertz waarnemen. De grondtoon
zal in dit geval niet gehoord worden, maar men zal wel alle harmonischen
boven 20 Hz kunnen horen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij de laagste
tonen van een orgel.
De frequentie van de noot "la" is internationaal
genormaliseerd op de toonhoogte 440 Hertz, maar er zijn afhankelijk van
plaats en tijd, of ook muziekstuk of -instrument, andere frequenties gangbaar,
of gangbaar geweest.
5.2 Gebruik van de verhouding 3/2 - de
kwint
5.2.1 De Pentatonische toonladder
Men kan zoals hierboven (onder 5.1),
een reeks van klanken definiëren, waarbij deze nu steeds met een factor
3/2 verhoogd of verlaagd worden, in plaats van 2. Dit geeft een reeks van
5 noten.
Men bekomt de waarden in tabel 1.
| Noot |
fa
|
do
|
sol
|
re
|
la
|
| Verhouding,
in machten van 2 en 3 |
22/3 = 4/3
|
1
|
3/2
|
(3/2)2 = 9/8
|
(33/24)
= 27/16
|
| Decimale waarde |
1.333..
|
1
|
1,5
|
1,125
|
1,6875
|
| Toonhoogte,
Met la op 440 |
347,65..
|
260,74..
|
391,11..
|
293,33..
|
440
|
|
Tabel 1
|
Noot: Omdat, zoals onder 5.1 besproken,
het octaaf een belangrijke verhouding is, werden de verhoudingen in tabel
1 wel steeds teruggebracht naar het octaaf waarvan we zijn vertrokken:
ze moeten daartoe door bijkomende vermenigvuldiging(en) of deling(en) door
2 naar waarden gelegen tussen 1 en 2 teruggebracht worden.
Kijk vooral naar de stijgende machten
van 3, om de volgorde te begrijpen.
Tabel 1 herschikt volgens toonhoogte geeft
tabel 2:
|
Pentatonische toonladder
|
| Noot |
do
|
re
|
fa
|
sol
|
la
|
| Toonhoogte |
260,74..
|
293,33..
|
347,65..
|
391,11..
|
440
|
|
Tabel 2
|
Bovenstaande reeks wordt pentatonisch
genoemd, -de pentatonische toonladder-, omdat de reeks uit vijf elementen
is opgebouwd. Door bijkomende vermenigvuldigingen of delingen met factor
2 kan men deze reeks herhalen in hogere of lagere octaven.
5.2.2 De diatonische toonladder volgens
Pythagoras (ca. 582 v.Chr. 500 v.Chr.)
De reeks in tabel 1 kan desgewenst
verder naar boven worden uitgebreid met mi en si:
| Noot |
fa
|
do
|
sol
|
re
|
la
|
mi
|
si
|
| Verhouding |
22/3
|
1
|
3/2
|
(3/2)2
|
33/24
|
34/26
|
35/27
|
| Decimale waarde |
1.333..
|
1
|
1,5
|
1,125
|
1,6875
|
1,2656..
|
1,8984..
|
| Toonhoogte |
347,65..
|
260,74..
|
391,11..
|
293,33..
|
440
|
330
|
835,31..
|
|
Tabel 3
|
Of herschikt volgens toonhoogte, en
toevoeging van de eerstvolgende "do":
|
Diatonische toonladder - Volgens
Pythagoras
|
| Noot |
do
|
re
|
mi
|
fa
|
sol
|
la
|
si
|
do
|
| Verhouding |
1
|
(3/2)2
|
34/26
|
22/3
|
3/2
|
33/24
|
35/27
|
2
|
| Decimale waarde |
1
|
1,125
|
1,265..
|
1.333..
|
1,5
|
1,6875
|
1,898..
|
2
|
| Toonhoogte |
260,7..
|
293,3..
|
330,0
|
347,6..
|
391,1..
|
440,0
|
495,0
|
521,4..
|
| Letternaam |
c'
|
d'
|
e'
|
f'
|
g'
|
a'
|
b' (h')
|
c"
|
| Afstand t.o.v.
do |
prime
|
seconde
|
terts
|
kwart
|
kwint
|
sext
|
septiem
|
octaaf
|
|
Tabel 4
|
Deze toonladder bevat vijf "gehele
tonen", verhouding 9/8: do-re, re-mi, fa-sol, sol-la, la-si.
Hij bevat twee "halve tonen", verhouding
28/35 (1,0535
): mi-fa, si-do.
Figuur 16 illustreert de plaats van
de noten uit tabel 4 op een notenbalk met sol-sleutel, in stijgende volgorde
c', d', e', f', g', a', b', c":
 |
Figuur 16
|
Toelichtingen bij tabel 4:
-
In de tabel worden namen van de toonafstanden
opgegeven; in dit geval ten overstaan van de noot do. De naam van een interval
wordt bepaald door het aantal noten te tellen die binnen het interval liggen,
met inbegrip van de eerste en de laatste noot.
-
Voorbeeld: voor de afstand mi tot si,
heeft men: < mi (1) - fa (2) - sol (3) - la (4) - si (5) > het interval
mi tot si is dus een kwint.
-
De tabel bevat (onreine) grote en kleine
Tertsen:
-
Grote Terts: do-mi, fa-la, sol si = 1,265
(benadert 1,25)
-
Kleine Terts: re-fa, mi-sol, la-do, si-re
= 1,185 (benadert 1,2)
-
Alle kwinten en kwarten zijn rein.
-
In de tabel worden ook "letternamen" van
noten gegeven.
-
In het Duits taalgebied wordt voor de
noot si de letter h gebruikt (tussen haakjes in de tabel), in plaats van
b.
-
Men kan de letternamen een specifiek formaat
geven, om aan te duiden in welk octaaf een noot ligt. Van laag naar hoog
heeft men:
-
...(LETTER), met een teken vóór
de LETTER, afhankelijk van het aantal octaven naar onder, (of ook met de
LETTER een aantal keren ondergestreept)"(LETTER) of ook 2(LETTER):
octaaf met la = 27,5 (of ook 2 x ondergestreept)
-
'(LETTER) of ook 1(LETTER):
octaaf met la = 55 (of ook 1 x ondergestreept)
-
(LETTER): octaaf met la = 110
-
(letter): octaaf met la = 220
-
(letter)' of ook (letter)1
: octaaf met la=440 (of ook 1 x bovengestreept)
-
(letter)" of ook (letter)2
: octaaf met la = 880 (of ook 2 x bovengestreept)
-
enz,
5.2.3 De Chromatische toonladder (volgens
Pythagoras)
Door verdere opeenvolgende vermenigvuldigingen
of delingen met 3/2, gepaard aan delingen of vermenigvuldigingen met 2
om binnen het initieel octaaf te blijven, om dus de verhouding terug te
brengen tot een getal gelegen tussen 1 en 2, kan men de reeks gedefinieerd
in tabel 3 nog verder uitbreiden, zowel naar boven als naar onder toe.
-
Naar boven toe creëert men opeenvolgend
noten met een kruis (#) en dubbel kruis als wijzigingsteken:
fa#, do#, sol#, re#, la#, mi#, si#,
fa## (faX), do## (doX), sol## (solX), re## (reX), la## (laX), mi## (miX),
si## (siX),
of ook:
fis, cis, gis, dis, ais, eis, bis (his),
fisis, cisis, gisis, disis, aisis, eisis, bisis (hisis),
-
Naar onder toe creëert men opeenvolgend
noten met een bemol (b) en dubbel bemol
als wijzigingsteken:
sib,
mib, lab,
reb, solb,
dob, fab,
sibb, mibb,
labb, rebb,
solbb, dobb,
fabb,
of ook:
bes (b), es, as, des, ges, ces, fes,
beses (bes), eses, ases, deses, geses, ceses, feses,
(noteer dat "bes"
volgens duitstalige notitie een "b" is)
Beperkt tot de toegevoegde noten fa#,
do#, sol#, sib en mib,
verkrijgt men tabel 5 hieronder:
|
Chromatische toonladder - volgens
Pythagoras
|
| Noot |
do
|
do#
|
re
|
mib
|
mi
|
fa
|
fa#
|
sol
|
sol#
|
la
|
sib
|
si
|
do
|
| Verhouding |
1 |
37/211
|
(3/2)2
|
25/33
|
34/26
|
22/3
|
36/29
|
3/2
|
38/212
|
33/24
|
24/32
|
35/27
|
2 |
| Decimale waarde |
1 |
1,067
|
1,125
|
1,185
|
1,265
|
1.333
|
1,898
|
1,5
|
1,601
|
1,687
|
1,777
|
1,898
|
2 |
| Toonhoogte |
260,7 |
278,4
|
293,3
|
309,0
|
330,0
|
347,6
|
371,3
|
391,1
|
417,7
|
440,0
|
463,5
|
495,0
|
521,4 |
|
Tabel 5
|
Toelichtingen bij tabel 5, en bij systemen
die men hieruit kan afleiden door verdere uitbreidingen naar boven en onder
toe:
-
Bij uitbreiding met re# (dis), kan men
vaststellen dat re# bijna gelijk is aan mib (es).
-
Bij uitbreiding met lab
(as), kan men vaststellen dat lab bijna
gelijk is aan sol# (gis).
Om deze reden beperkten we voorlopig
het aantal noten in tabel 5 tot 12.
Als men afziet van de vernoemde kleine
verschillen is het alsof de rij van twaalf noten (zeven (witte) noten en
vijf (zwarte) "gewijzigde" noten) zichzelf steeds weer herhaalt, waarbij
men in een cirkel ronddraait: zie figuur 17, deze cirkel heeft de naam
"kwintencirkel". Meer precies gesteld kan men van een kwintenspiraal spreken.
-
Noten, zoals es en dis, en gis en as in
figuur 17, en andere noten die bij uitbreiding bijna gelijk zijn, hebben
een verhouding gelijk aan de factor
-
Deze noten noemt men "enharmonisch".
-
Deze verhouding 312/219
= 1,013643
wordt een Pythagorische komma genoemd
-
De noten met een kruis liggen steeds iets
hoger dan de noten met een bemol, en wel met een factor 312/219
= 1,013643
: de Pythagorische komma.
Noot: er bestaan muziekinstrumenten,
waarbij een aantal toetsen met gewijzigde noten (de "zwarte" toetsen van
een piano) gesplitst zijn, teneinde bij een muziekuitvoering het onderscheid
te kunnen maken tussen kruis en bemol.
-
Alle kwinten in tabel 5 zijn rein (verhouding
3/2 = 1,5), behalve de kwint sol# - re# (re# vervangt mib),
die men ook kan beschouwen als de kwint lab
(lab vervangt sol#) - mib.
De waarde van deze kwint bedraagt
218/311= 1,479811. Zoals kan nagegaan worden is ook
dit weer één Pythagorische komma verschillend van de reine
kwint.
Men noemt deze kwint een wolfskwint
omdat de zwevingen van deze kwint het huilen van een wolf evoceren.
-
Natuurlijke en Chromatische halve tonen:
-
De natuurlijke halve toon: alle
halve tonen tussen noten met een verschillende naam
do# - re, re - mib,
mi - fa, fa# - sol, sol# - la, la - sib,
si - do
Deze toonafstand heeft een verhouding
= 28/35 = 1,053498, die ongeveer gelijk is aan vier
Pythagorische komma's: (1,013643
)4 = 1,0557 »
1,053498
Noot: de waarden 1,0557 en 1,053498
verhouden zich als:
353/284= 1,00209031404109
(zie verder hieronder)
-
De chromatische halve toon: alle
halve tonen tussen noten met gelijke naam
Do - do#, mib -
mi, fa - fa#, sol - sol#, sib - si
Deze toonafstand heeft een verhouding
= 37/211 = 1,067871, die ongeveer gelijk is aan vijf
Pythagorische komma's: (1,013643
)5 = 1,070103 »
1,067871
Noot: de waarden 1,070103 en 1,067871
verhouden zich ook hier als:
353/284= 1,00209031404109
(zie verder hieronder)
-
Indien men alle komma's binnen een octaaf
samentelt bekomt men 53 komma's. Dit is zeer opvallend, want 53 lijkt een
nogal willekeurig getal, maar 353/284 = 1,00209031404109,
een waarde die opnieuw uiterst dicht bij één ligt.
De Duitse wiskundige Nicholas Mercator
(1620-1687) heeft ooit voorgesteld om 53 noten per octaaf te hebben.
Andere verhoudingen die ook dicht bij
één liggen, maar niet steeds even goed als voor de macht
53, zijn bijvoorbeeld:
-
24: dit geeft 324/238
= 1.027475668
en er werd reeds muziek met toonafstanden van 1/4 noot geschreven
en uitgevoerd.
-
41: dit geeft 341/265
= 0.988602548
er is ons geen toepassing hiervan in de muziek gekend
-
306: dit geeft 3306/2485
= 0.998978283
de beste waarde totnogtoe, maar geen gekende muzikale toepassing
-
Nog hoger: er bestaan zeker nog verhoudingen
met nog hogere machten van 3 die zeer dicht bij één liggen,
maar het heeft geen zin er hier verder op in te gaan, want er is zoals
bij 41 en 306 geen verband meer met muziek
De volgorde van ontstaan van kruisen en
bemol, zoals hierboven uitgewerkt door opeenvolgende vermenigvuldigingen
of delingen door 3/2, heeft natuurlijk ook zuiver muzikaal zijn belang.
De met kruisen en bemol gewijzigde noten maken het mogelijk om in verschillende
toonaarden te spelen.
De Pythagorische diatonische toonladder
(5.2.2) kan zonder wijzigingstekens opgetekend worden op een notenbalk
(zie figuur 16).
-
"Gewijzigde" noten worden op dezelfde
lijn als de oorspronkelijke noten genoteerd, maar om de wijziging duidelijk
te maken worden er wijzigingstekens vooraan op de notenbalk genoteerd,
volgens figuur 18.
-
De volgorde waarin de wijzigingstekens
genoteerd worden, komt overeen met de volgorde waarin de wijzigingen ontstaan:
fa, do, sol, re, la, mi, si voor de kruisen; en omgekeerd si, mi, la, re,
sol, do, fa voor de bemol.
-
Mits behoud van de juiste volgorde en
dus vertrekkend met een fa# of een sib,
kan een notenbalk, geen, of één, of meerdere kruisen of bemol
bevatten, nooit kruisen en bemol tegelijk
-
De aldus genoteerde voortekens zijn bepalend
voor de toonaard van een muziekstuk:
  |
Figuur 18
|
-
Snaren op strijkinstrumenten zijn ook
in de hier beschreven volgorde aangebracht, en de naburige snaren op deze
instrumenten, die dus een kwint vormen, worden met elkaar gestemd door
het wegwerken van de zwevingen tussen deze snaren
De Pythagorische diatonische toonladder
(5.2.2, tabel 3) heeft de toonaard C groot, omdat er een grote terts staat
op de grondnoot C. Hij heeft ook de toonaard A klein, omdat er een kleine
terts staat op de noot A.
Bij toevoeging van wijzigingstekens
kan men exact dezelfde reeks toonverhoudingen terugvinden als in de toonladder
tabel 3, maar men moet daartoe telkens van uit een andere grondnoot vertrekken.
Men bekomt de reeks toonaarden gegeven in tabel 6.
|
Toonaarden
|
| Geen # of b |
C groot (*) |
A klein (*) |
|
| # |
G groot (*) |
E klein (*) |
b |
F groot (*) |
D klein (*) |
| ## |
D groot (*) |
B klein (*) |
bb |
Bes groot (*) |
G klein (*) |
| ### |
A groot (*) |
Fis klein (*) |
bbb |
Es groot (*) |
C klein (*) |
| #### |
E groot (*) |
Cis klein (*) |
bbbb |
As groot (*) |
F klein (*) |
| ##### |
B groot (*) |
Gis klein (*) |
bbbbb |
Des groot |
Bes klein (*) |
| ###### |
Fis groot (*) |
Dis klein (*) |
bbbbbb |
Ges groot |
Es klein (*) |
| ####### |
Cis groot (*) |
Ais klein |
bbbbbbb |
Ces groot |
As klein |
|
Tabel 6
|
(*): Alle toonaarden die met (*) gemerkt
zijn, zijn toonaarden die gebruikt zijn in "Das Wohltemperierte Klavier"
van J. S. Bach.
5.3 Gebruik van verhoudingen
3/2, 5/4 en 6/5
De natuurlijk harmonische toonladder,
ook reine stemming genoemd.
(Aristoxenos, 4e eeuw v.Chr; Zarlino, 1517 - 1590).
Ook de terts is in de muziek zeer belangrijk.
De tertsen binnen een pythagorische
wijze van stemmen hebben echter geen goede kwaliteit. Hun verhouding bedraagt:
-
Voor de grote terts, bijvoorbeeld do tot
mi: 81/64, dit is 1,265625, en dit wijkt tamelijk sterk af van de reine
verhouding, die 5/4 (= 1,25) bedraagt
-
Voor de kleine terts, bijvoorbeeld mi
tot sol: 25/33, dit is 1,185.., en dit wijkt tamelijk
sterk af van de reine verhouding, die 6/5 (= 1,2) bedraagt
Om bovenstaande redenen werd gezocht naar
structuren die kunnen leiden tot betere tertsen.
De toevoeging aan de verhouding 3/2,
van de verhoudingen 5/4 en 6/5 en combinaties van deze verhoudingen, heeft
geleid tot de toonladder in tabel 7.
|
Natuurlijk harmonische toonladder
|
|
| c |
2/1
|
2/1 |
2
|
Bij vergelijk van de waarden in tabel
7 met deze van de Pythagorische toonladder in tabel 5 stelt men vast:
-
Men heeft eenvoudiger verhoudingen, en
dit draagt bij tot een betere welluidendheid
-
Bij enharmonische noten zijn de kruisen
kleiner dan de bemols in plaats van groter.
-
De natuurlijke halve tonen zijn groter
dan de chromatische halve tonen, in plaats van het omgekeerde
|
| b |
15/8
|
3/2 x 5/4 |
1,875
|
| bes |
16/9
|
4/3 x 4/3 |
1,7777..
|
| ais |
225/128
|
[(5/4)2
x (3/2)2] / 2 |
1,757813
|
| a |
5/3
|
5/4 x 4/3 |
1,6666..
|
| as |
8/5
|
2 / (5/4) |
1,6
|
| gis |
25/16
|
5/4 x 5/4 |
1,5625
|
| g |
3/2
|
3/2 |
1,5
|
| ges |
64/45
|
4 / (3/2 x
3/2 x 5/4) |
1,4222..
|
| fis |
45/32
|
[(3/2)2x
5/4] / 2 |
1,40625
|
| f |
4/3
|
4/3 |
1,3333..
|
| e |
5/4
|
5/4 |
1,25
|
| es |
6/5
|
6/5 |
1,2
|
| dis |
75/64
|
[(5/4)2
x 3/2] / 2 |
1,171875
|
| d |
9/8
|
(3/2 x 3/2)
/ 2 |
1,1111..
|
| des |
16/15
|
2 / (5/4 x
3/2) |
1,0666..
|
| cis |
25/24
|
(5/4) / (6/5) |
1,0416..
|
| c |
1
|
1 |
1
|
|
Tabel 7
|
|
5.4 Gebruik van andere verhoudingen
Een recent en gekend, doch specifiek experiment,
is de toonladder volgens Huygens-Fokker, met 31 toetsen voor 31 noten per
octaaf, geïmplementeerd op een speciaal daartoe gebouwd orgel. Het
priemgetal 7 zou mee verwerkt zijn in een aantal muzikale intervals.
6. Het temperen
De onder 5 voorgestelde structuren
hebben een aantal nadelen:
-
Problemen voor de bouw van toetsinstrumenten
met 12 toetsen per octaaf
-
Problemen van wijziging van harmonie bij
transpositie van een muziekstuk naar een andere toonaard: bepaalde akkoorden
kunnen dan na transpositie eventueel anders klinken dan bedoeld door de
componist.
Transpositie: alle toonafstanden
binnen een muziekstuk worden bewaard, maar alle noten worden tegelijk een
gelijk aantal toonafstanden naar boven of onder toe verschoven
-
Ze bevatten een aantal dissonanten, of
zelfs een wolfskwint
Daarom werden er tientallen varianten
bedacht die met wisselend succes verbeteringen poogden in te voeren. Hierbij
worden steeds een aantal dissonante intervals "getemperd", opdat ze een
aanvaardbare muzikale klank zouden verkrijgen.
6.1 De middentoon
De middentoon werd ontwikkeld ten behoeve
van klavierinstrumenten, en beperkt daartoe het aantal toetsen per octaaf
tot 12 (de 7 "witte" en de 5 "zwarte" toetsen bij een piano).
In dit systeem wordt de grote terts
op do in twee gelijke delen verdeeld, -vandaar de naam van deze structuur-,
en worden cis en es met een vierde komma gecorrigeerd. Alle andere noten
worden bekomen door op deze noten reine grote tertsen te bouwen.
Van alle structuren bevat deze structuur
het grootst aantal reine tertsen: 8 in totaal.
|
"Vierde komma" Middentoon
|
|
| c" |
2/1
|
526,4
|
De middentoon is door zijn structuur
een zeer welluidende tempering in de minder verwijderde toonaarden (dit
zijn toonaarden met weinig wijzigingstekens aan de notenbalk; zie ook figuur
18 en tabel 6).
De middentoon heeft het nadeel een
zeer sterke wolfskwint te bevatten: de kwint op gis.
Daarom bestaan er ook hierop een aantal
varianten.
|
| b' |
g x 5/4
|
491,9
|
| bes' |
fis x 5/4
|
470,8
|
| a' |
f x 5/4
|
440,0
|
| gis' |
e x 5/4
|
411,2
|
| g' |
es x 5/4
|
393,5
|
| fis' |
d x 5/4
|
367,8
|
| f' |
cis x 5/4
|
352,0
|
| e' |
c x 5/4
|
329,0
|
| es' |
6/5 / (1/4 komma)
|
314,8
|
| d' |
(10/9) x 1/2 komma = (9/8) / (1/2
komma)
|
294,2
|
| cis' |
25/24 x 1/4 komma
|
275,0
|
| c' |
1
|
263,2
|
|
Tabel 8
|
6.2 Het gelijkzwevend temperament
Dit is het meest éénduidig
temperament, en wellicht ook publiek het meest algemeen gekend.
Hierin worden de twaalf kwinten volledig
gelijk gemaakt, en daardoor zijn ook de twaalf halve tonen in een octaaf
allen gelijk. Een halve toon heeft daarom de waarde:

|
Formule 20
|
Dit geeft dus volgende octaafindeling:
| Noot |
c'
|
cis'
|
d'
|
es'
|
e'
|
f'
|
fis'
|
g'
|
gis'
|
a'
|
bes'
|
b'
|
c"
|
| Verhouding |
1
|
21/12
|
22/12
|
23/12
|
24/12
|
25/12
|
26/12
|
27/12
|
28/12
|
29/12
|
210/12
|
211/12
|
2
|
| Toonhoogte |
261,6 |
277,2 |
293,7 |
311,1 |
329,5 |
349,2 |
370,0 |
392,0 |
415,3 |
440,0 |
466,2 |
493,9 |
523,2 |
|
Tabel 9
|
De kwinten wijken slechts zeer weinig
af van de volledig zuivere kwint, want de relatief kleine pythagorische
komma wordt door deze indeling door twaalf gedeeld en over de kwinten verspreid.
De tertsen, groot en klein, wijken
allen gelijk en tamelijk sterk af van een reine terts, en dit is het grootste
nadeel van deze indelingswijze, vooral voor muziekinstrumenten zoals orgel
of klavecimbel, met klanken met rijke harmonische inhoud, waardoor de onzuiverheid
van de terts sterk doorklinkt.
Omwille van de irrationele verhouding
van toonhoogtes, kan dit temperament niet of slechts zeer moeilijk op het
oor ingesteld worden, zonder gebruik van hulpmiddelen.
Een misverstand, dat J. S. Bach (1685
- 1750) het gelijkzwevend temperament zou gebruikt hebben voor zijn muziekstuk
"Das wohltemperierte Klavier", heeft zeer lang standgehouden, en leeft
nog steeds zeer sterk bij het groot publiek. Het is slechts dank zij een
grondig en kwalitatief historisch-cultureel onderzoek door Prof. H. Kelletat
(1907 - 2007), gepubliceerd in zijn levenswerk "Zur musikalischen Temperatur"
(3 delen), dat zeer recent (~1980) het inzicht is ontstaan dat J. S. Bach
wellicht gewerkt heeft met het welgetemperd Kirnberger III temperament,
of een temperament dat dit zeer dicht benadert (zie verder).
6.3 Wel getemperde temperamenten
Werckmeister (1645 - 1706) definieerde
aan welke criteria een welgetemperd temperament dient te voldoen (Orgelprobe
1681), en zijn definitie wordt nog steeds aanvaard.
"Wohltemperierung heiszt mathematisch-akustische
und praktisch-musikalische Einrichtiung von Tonmaterial innerhalb der zwölfstufigen
Oktavskala zum einwandfreien Gebrauch in allen Tonarten auf der Grundlage
des natürlich-harmonischen Systems mit Bestreben möglichster
Reinerhaltung der diatonische Intervalle.
Sie tritt auf als proportionsgebundene,
sparsam temperierende Lockerung und Dehnung des mitteltönigen Systems,
als ungleichschwebende Semitonik und als gleichschwebende Temperatur."
(Orgelprobe, 1681)
Beknopte vereisten opdat een temperament
wel getemperd zou zijn komen er dus op neer dat men in om het even welke
toonaard moet kunnen spelen en transponeren op een klavierinstrument met
twaalf toetsen per octaaf, zonder verlies aan muzikale kwaliteiten van
het stuk.
Bovenstaand criterium is een heel duidelijk
muzikaal criterium, maar is moeilijk in objectieve criteria om te zetten.
In de periode waarin de meeste wel
getemperde temperamenten werden ontwikkeld bestonden er nog geen hulpmiddelen
om toonhoogtes met hoge precisie te meten. Al deze temperamenten hebben
daardoor het gemeenschappelijk kenmerk dat ze op het gehoor kunnen ingesteld
worden, door waarneming van zwevingen.
Door verschillen in muzikale smaak
of voorkeur, en gebrek aan objectieve criteria en meetmiddelen, zijn er
in de loop van de geschiedenis meerdere licht verschillende wel getemperde
temperamenten ontwikkeld.
Wellicht is een temperament ontwikkeld
door Kirnberger (1721 - 1783), het zogenaamd "Kirnberger III - ungleich"
temperament, een van de meest belangrijke, zoniet het belangrijkste welgetemperd
temperament.
|
Kirnberger III unequal
|
|
Noot
|
c'
|
cis'
|
d'
|
es'
|
e'
|
f'
|
fis'
|
g'
|
gis'
|
a'
|
bes'
|
b'
|
c"
|
|
Frequentie
|
263,1
|
277,2
|
294,5
|
311,8
|
328,9
|
350,8
|
370,0
|
393,8
|
415,8
|
440,0
|
467,7
|
493,3
|
526,2
|
|
Tabel 10
|
Dit temperament kan op het oor worden
ingesteld. De eigenlijke basis van dit temperament wordt gegeven in onderstaande
tabel 11 (uit: H. Kelletat; "Zur musikalischen Temperatur"), en de toonhoogtes
van tabel 10 hierboven kunnen daaruit afgeleid worden, op basis van formules
16 en 18.
|
In te stellen zwevingen per seconde,
voor "Kirnberger III - ungleich"
|
| Kwint |
g'/c'
|
gis'/cis'
|
a'/d'
|
bes'/es'
|
b'/e'
|
c"/f'
|
cis"/fis'
|
d"/g'
|
es"/gis'
|
e"/a'
|
f"/bes'
|
fis"/b'
|
| |
1,7
|
0
|
3,5
|
0
|
0
|
0
|
1,25
|
3,4
|
0
|
4,5
|
0
|
0
|
| Terts |
e'/c'
|
f'/cis'
|
fis'/d'
|
g'/es'
|
gis'/e'
|
a'/f'
|
bes'/fis'
|
b'/g'
|
c"/gis'
|
cis"/a'
|
d"/bes'
|
es"/b'
|
| |
0
|
17,4
|
7,5
|
15,9
|
18,7
|
6
|
21
|
4,5
|
26
|
17,5
|
17,2
|
28
|
|
Tabel 11
|
Bij het instellen van het octaaf tijdens
het stemmen, moet er vooral op de zwevingen van de kwinten gelet worden,
behalve voor de grote terts op do waar men geen zweving wenst en de grote
terts op sol die ook redelijk zuiver dient te zijn.
Belangrijkste eigenschappen van de
welgetemperde wijze van stemmen.
Voor temperamenten die dicht bij het
KirnbergerIII-ungleich temperament liggen kan men de kenmerken grafisch
voorstellen in figuur 18:
Grote tertsen:
Men heeft zo goed als reine tertsen
op c en g, en de omgevende tertsen ontaarden geleidelijk aan naar Pythagorische
tertsen.
Kleine tertsen:
E is bijna rein, en verder een zelfde
verloop als bij de grote tertsen.
Kwinten:
Vijf kwinten wijken een weinig af
van de reinheid.
De kenmerken van tertsen en kwinten
hebben als gevolg dat de toonaarden in C en G groot zo goed als natuurlijk
harmonische toonaarden zijn (zie 5.3), waarbij men bij het zich verwijderen
van deze toonaarden evolueert naar toonaarden die volledig Pythagorisch
zijn (zie 5.2.2): Cis en Fis groot. Men heeft degelijke kwinten voor alle
toonaarden. Dit temperament is dus niet belast met een "wolfskwint".
Vermoedelijk zijn het deze eigenschappen
die het wezen zijn van de muzikale kwaliteiten van deze wijze van stemmen,
een temperament dat bovendien zeer waarschijnlijk sterk gewaardeerd werd
door J. S. Bach (cfr. prof. H. Kelletat).
7 Meting van een Toonhoogte
7.1 Meetmethode
Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat
de toonhoogte van een klank, of de verhouding van toonhoogtes van klanken,
sleutelelementen zijn in de muziek.
Het is mogelijk om vertrekkend van
één referentienoot alle andere noten af te leiden, zonder
dat daartoe enig meetinstrument vereist is, gewoon door bij opeenvolgende
goed uitgekozen noten, meestal kiest men vooral kwinten en octaven, te
letten op de zwevingen.
Men heeft aldus gedurende eeuwen muziekinstrumenten
gestemd zonder enig meetmiddel, en men doet dit nog steeds.
Indien men een objectief zicht wil
hebben over de wijze waarop een muziekinstrument gestemd is, dan is het
vereist om de toonhoogte van de klank te kunnen meten.
Klassieke frequentiemeters gebruikt
in de elektrotechniek voldoen meestal niet om de toonhoogte van een klank
te kunnen meten:
-
Zuivere muziek vereist dat men tot minstens
vier cijfers nauwkeurig moet kunnen meten, en bij lage frequenties vergt
dit een lange meettijd.
-
Deze meters tellen het aantal keren dat
een signaal de nullijn of een bepaald niveau kruist gedurende een gekozen
tijdsperiode, maar bij complexe klanken is het mogelijk dat het signaal
gedurende één periode meerdere keren de nullijn of een ingesteld
niveau kruist, zodat er een verkeerde telling gebeurt van het aantal perioden
gedurende de meettijd, wat duidelijk blijkt uit het voorbeeld in figuur
19, hieronder, waarin T de periode is van het signaal:
-
Vooral bij uitstervende klanken, bijvoorbeeld
deze van een piano of klavecimbel, kan men problemen hebben met niveau
en meettijd.
-
Bij lage tonen kan men de periode van
het signaal meten in plaats van de frequentie, wat de meettijd voor deze
noten aanzienlijk verkort, maar ook deze soort meting blijft gevoelig aan
het meervoudig kruisen van een ingesteld niveau
Omwille van het bovenstaande zijn meestal
specifieke instrumenten vereist bij het meten van muzikale toonhoogtes.
Ook met digitale computers, die nu met voldoende rekenvermogen alom tegenwoordig
zijn, kan men zeer goed toonhoogtes meten, mits gebruik van daartoe geschikte
programma's.
7.2 Meetschaal
7.2.1 De "Cent"
Het gelijkzwevend temperament ligt
voor de muziek aan de basis van een zeer veel gebruikte toonhoogte meetschaal,
met een zeer verfijnde indeling van het octaaf.
Hierbij wordt het octaaf in 1.200
evenredige delen verdeeld, cent genoemd, zodat men 100 cent per halve noot
van het gelijkzwevend temperament heeft. Deze toonverhouding heeft dus
de in formule 21 berekende waarde.
|
Formule 21
|
Voor het gemak van het vergelijken
en berekenen van toonafstanden wenst men een schaal waarbij men toonafstanden
met elkaar kan optellen en aftrekken, in plaats van ze te moeten vermenigvuldigen
en delen. Dit kan door te rekenen met de logaritme van de verhoudingen.
Aangezien men 1200 logaritmische cents wenst in één octaaf,
bij een verhouding 2 dus, kan men een toonafstand in cent berekenen bij
middel van formule 22.
|
Een toonafstand in cent
|
 |
Formule 22
|
Praktisch alle muzikale toonhoogtemeters
zijn geijkt volgens het gelijkzwevend temperament, en ze meten aldus de
afwijking in cents ten overstaan van de meest nabijgelegen noot van dit
temperament.
7.2.2 Savart (1791-1841)
Savart heeft eveneens een logaritmische
schaal voor toonhoogtes gedefinieerd. Bij deze schaal komt een toonhoogteverhouding
10/1 overeen met 1000 savart.
Mits een kleine afronding (met slechts
ongeveer 0,3 % fout), kan nagerekend worden dat één savart
overeenkomt met vier cent.
Deze schaal wordt bijna nooit gebruikt.
8 Waarneming van muziek door het oor
8.1 Herkenning van de toonhoogte
De wijze waarop het oor geluid waarneemt
wordt nog steeds verder onderzocht, en veel aspecten in verband met geluidswaarneming
door de mens zijn nog niet met zekerheid objectief wetenschappelijk gekend.
Onderstaande bespreking geeft daarom
slechts een zeer summiere en uiterst vereenvoudigde beschrijving van de
werking van het oor.
Geluid, muziek, treedt het binnenoor
binnen via het trommelvlies en loopt over een aantal gehoorbeentjes tot
bij het ovaal venster van het slakkenhuis. Het geluid doorloopt vandaar
verder het slakkenhuis, waarbinnen een basilair membraan is gespannen waarop
ongeveer 29.000 trilhaartjes kunnen meetrillen. De ontrolde lengte van
slakkenhuis en membraan bedraagt ongeveer 35 mm.
Er zijn ongeveer 25.000 zogenaamd
"buitenste trilhaartjes" die het ontvangen geluid zouden versterken, en
ongeveer 3.500 zogenaamd "binnenste trilhaartjes" die verbonden zijn met
de gehoorzenuw. De binnenste trilhaartjes prikkelen de gehoorzenuw, die
de signalen doorgeeft aan de hersenen.
Het basilair membraan is stijf en
smal bij de ingang aan het ovaal venster en wordt elastischer en breder
naar de top van het slakkenhuis. Deze structuur van het basilair membraan
heeft als gevolg, dat het aan de ingang van het slakkenhuis sterk zal meetrillen
met hoge frequenties, en aan de top van het slakkenhuis met lage frequenties.
De plaats waar het meetrillen met
het inkomend geluid maximaal is, is dus functie van de frequentie, en ligt
van hoog naar laag over de lengterichting van het basilair membraan verdeeld.
Het oor realiseert aldus een soort
van frequentie analyse, die zeer goed vergelijkbaar is met de wijze waarop
een Fourier integraal (zie formules 3 en 4) een klank analyseert.
In de wetenschappelijk niet geverifieerde
veronderstelling dat voor het menselijk oor:
-
Elk binnenste trilhaartje, dank zij het
basilair membraan op één bepaalde toonhoogte zou "afgestemd"
zijn,
-
Er een gelijke verhouding in toonhoogte
zou zijn tussen alle opeenvolgende binnenste trilhaartjes,
zou men een toonhoogteverhouding tussen
de trilhaartjes van het menselijk oor bekomen die gelijk zou zijn aan deze
in formule 23 hieronder:
|
Formule 23
|
Een vergelijk van deze waarde met de
waarde van:
-
één pythagorische komma:
1.013643
(een halve komma = 1.0068
)
-
of met de waarde 353/284:
1.002093
-
of met de waarde van één
cent: 1.0005779
ondersteunt de wetenschap dat het menselijk
oor uiterst gevoelig is voor afwijkingen in frequentie, van een klank.
Men vermeldt gevoeligheden tot 1/2 komma (ong. 1.0068
) voor muzikaal getrainde
waarnemers.
Anderzijds moet hier opgemerkt worden
dat de exacte wijze waarop het oor in staat is om toonhoogtes zo fijn te
herkennen nog steeds niet volop wetenschappelijk verklaard is. Bovenstaande
redenering voldoet NIET, want er is wel reeds geweten en vastgesteld dat
de frequentie selectiviteit van het basilair membraan en van de trilhaartjes
niet volstaat om de selectiviteit van het oor in zijn geheel te verklaren
op de wijze zoals hierboven verondersteld. De hersenen, "het muzikaal geheugen",
en mogelijk nog andere elementen zoals bijvoorbeeld de intensiteit waarmee
een trilhaartje wordt aangesproken spelen zeer waarschijnlijk ook een zeer
belangrijke rol.
8.2 Gevoeligheid van het oor - Gehoorcurve
Het oor is gevoelig voor verschillen in
geluidssterkte, en heeft een zeer hoog dynamisch bereik. De gevoeligheid
is ook afhankelijk van de frequentie.
Bij het ouder worden vermindert de
gevoeligheid van het oor door verzwakking van de buitenste haarcellen.
De buitenste haarcellen kunnen beschadigd
geraken en definitief hun functie verliezen bij blootstelling aan te hoge
geluidsintensiteit, wat leidt tot verzwakking van het gehoor.
Figuur 20 geeft een ruwe schets van
de gevoeligheid van het oor bij een normaal volwassen persoon. De "foon"
lijnen zijn lijnen van gelijke gevoeligheid, en deze lijnen werden experimenteel
bepaald door proeven met een representatieve groep luisteraars. Bij de
frequentie 1000 Hz wordt de "foon" gelijk gesteld aan de "deciBel".
Het geluidsniveau in deciBel is een
maat voor de door het geluid veroorzaakte drukvariaties, en is een objectieve
fysische grootheid. Het geluidsniveau in deciBel wordt bekomen door toepassing
van formule 24, waarin p0 een
genormaliseerde referentie drukvariatie is, en p1
de gemeten drukvariatie veroorzaakt door het geluid.
|
Geluidsniveau in dB
|
 |
Formule 24
|
Vb: - De geluidsdruk
bij 100 dB is 100.000 maal sterker dan de geluidsdruk bij 0 dB.
- Een geluidsdruk verhouding gelijk aan 2, komt overeen met ongeveer 3
dB verschil
Figuur 20 laat ook zien dat het oor
het gevoeligst is rond een frequentie van ongeveer 3.000 Hz, en dat deze
gevoeligheid snel vermindert naar hogere frequenties, en vooral ook naar
lagere frequenties toe.
9 Problemen bij het stemmen van muziekinstrumenten
9.1. Structuur van een octaaf
Op basis van al het bovenstaande is het
duidelijk dat een octaaf op een klavier met 12 toetsen NOOIT
kan ingedeeld worden in intervals die allen zuiver zijn.
Het instellen van de twaalf noten
in een octaaf gaat daarom dwingend gepaard met het aanvaarden van een aantal
compromissen; het kiezen van een gewenst temperament.
Men zal de keus van een welbepaald
temperament laten afhangen van een aantal muzikale criteria, artistieke
criteria dus, die deel uitmaken van de artistieke vrijheid van de muzikant,
maar die ook functie zijn van de periode waarin een stuk werd geschreven
en van het soort muziekinstrument waarop het zal worden uitgevoerd.
9.2 Structuur van de klank
Er is echter meer dan alleen maar de structuur
van het octaaf.
Bij een fysiek akoestisch muziekinstrument
zal men vaststellen dat de reeks van harmonischen nooit precies gelijk
valt met een reeks van gehele veelvouden van de grondfrequentie: de factor
"e" in de formule
5 is dus niet gelijk aan 0 (nul).
De redenen hiervan zijn:
-
Unidimensionele trillichamen zoal snaar
of luchtkolom:
De harmonischen zijn slechts zeer
precies gelijk aan een geheel veelvoud van de grondtoon in het theoretisch
geval dat de snaar of luchtkolom oneindig dun is, de snaar oneindig soepel
en zonder wrijving met de lucht, de wanden van de luchtkolom oneindig stijf
en de lucht zonder enige viscositeit,
.. Het is slechts in dit geval dat
de knopen of buiken van de trilling precies overeenkomen met de uiteinden
van snaar of luchtkolom. Bij een reële snaar of luchtkolom is dit
niet het geval, met een afwijking van de perfecte harmonische reeks, zoals
gesteld in formule 5, als gevolg.
Bij snaren liggen de harmonischen
gewoonlijk iets hoger dan verwacht. Gevolg is dat bij het stemmen op het
oor de intervals iets groter worden, zodanig dat gemeten naar de grondtoon
toe, de octaven iets gerekt worden; zie figuur 21.
Dit verschijnsel is verschillend van
instrument tot instrument, omdat het afhangt van de kwaliteit van het instrument
en van de snaren, en is het sterkst bij de laagste en de hoogste noten:
-
Bij de laagste noten omwille van de kunstmatige
verzwaring, verdikking, van de snaar bij middel van omwikkelingen met bronsdraad.
Dit maakt dat de snaar sterk afwijkt van het theoretisch model.
-
Bij de hoogste noten doordat de snaar
zich ingevolge haar stijfheid gedeeltelijk als een staaf begint te gedragen
-
Trillichamen met twee of drie dimensies:
-
Met twee dimensies: bijvoorbeeld een trillend
vlies zoals bij een pauk
-
Of drie dimensies, vb.: een trillend lichaam
zoals bij een klok of ook heel wat perkussie-instrumenten
Theoretische analyse van de trileigenschappen
van deze lichamen toont aan dat de "harmonischen" zeer sterk kunnen afwijken
van gehele veelvouden van de grondtoon. Slechts in geval van specifieke
verhoudingen in vorm en afmeting kan men deze afwijkingen beperken.
Deze instrumenten zijn bijgevolg zeer
moeilijk te stemmen.
-
Klanken met zwakke of geen grondtoon.
Theoretische analyse van de klank
die bijvoorbeeld wordt voortgebracht door een ideale snaar (oneindig dun
en soepel) die op 1/7 van haar lengte door een ideale hamer (oneindig dun
en hard) wordt aangeslagen, dit teneinde de 7-de harmonische te vermijden,
leidt tot de harmonische structuur gegeven door formule 25 (de faseverschuivingen
worden hier niet in rekening gebracht), en figuur 22.
 |
|
Formule 25
|
Noot: Bij een reële snaar en
hamer is er een verzwakking naar hogere tonen toe.
Men kan zich ook nog andere mogelijke
harmonische structuren voorstellen, waarbij er een aantal harmonischen
ontbreken.
Bij al deze klanken met zwakke lagere
harmonischen kan het gemakkelijker zijn om te stemmen op bijvoorbeeld de
3-de of 4-de harmonische, of nog een andere, in plaats van op de grondtoon.
Bij de laagste pianotonen bijvoorbeeld
kan het bijna niet anders.
8.3 Toonhoogte waarneming van complexe
klanken,
of van veelvuldige klankbronnen op "gelijke" toonhoogte
Samenspel van verschillende instrumenten,
bijvoorbeeld in een orkest, en samenzang, bijvoorbeeld in een koor, blijken
muzikaal perfect mogelijk en zelfs zeer gewenst en aangenaam. Het feit
dat elk instrument of elke zanger een zelfs uiterst miniem toonhoogteverschil
met anderen kan hebben blijkt niet te storen: op een of andere manier synthetiseert
het oor één klank uit het geheel aan quasi gelijke toonhoogtes,
en het waarnemen van zwevingen blijft achterwege, behalve indien slechts
twee klankbronnen tegelijk een nagenoeg gelijke toon produceren (zie ook
hoofdstuk 4).
Ook bij een niet perfect harmonische
klank, kan de vraag gesteld worden welke toonhoogte door een luisteraar
zal waargenomen worden:
-
De toonhoogte volgens de grondharmonische
-
De toonhoogte volgens de meest luide harmonische
-
Een toonhoogte bepaald volgens een of
ander soort gewogen gemiddelde of een ander geschikt algoritme
Hierop is tot op heden geen door iedereen
aanvaard éénduidig antwoord gekend. Er loopt nog zeer veel
onderzoek over de menselijke waarneming van toonhoogtes.
Op een of andere wijze kan het oor
onder de bovenbeschreven omstandigheden dus tóch toonhoogtes herkennen.
Bij wijze van voorbeeld, en dit zonder
te beweren dat autocorrelatie de aangewezen techniek zou zijn om de werking
van het oor te simuleren, geven we hieronder een via rekenblad gesimuleerd
voorbeeld, hoe voor twee ogenschijnlijk totaal verschillende signalen de
gelijke toonhoogte op basis van deze techniek toch precies kan bepaald
worden.
-
Figuur 23 geeft:
-
Een beeld van een (ogenschijnlijk eenvoudig)
signaal waarvan alle harmonischen in de oorsprong een fase gelijk aan nul
hebben
-
De met dit signaal overeenkomende autocorrelatiefunctie
-
Figuur 24 geeft:
-
Identiek hetzelfde signaal als dat van
Figuur 23, maar waarbij de harmonischen in de oorsprong beginnen met een
statistisch willekeurig gekozen fase
-
De autocorrelatie die opvallend identiek
is met deze in figuur 23
Talloze varianten van het signaal in
figuur 24 die exact dezelfde harmonische inhoud hebben als deze van figuur
23 en 24 kunnen berkekend en bekeken worden bij middel van het bestand
autocor_2.xls.
De autocorrelatie van een functie is
een tamelijk complexe bewerking, die numerisch (digitaal) echter toch tamelijk
eenvoudig te implementeren valt, mits veel rekenwerk; wat geen probleem
meer is voor de huidige huiscomputers.
De autocorrelatie vertrekt met een
niet te overtreffen maximum waarde in de oorsprong.
Het eerstvolgende en gelijk maximum
van de autocorrelatie van een periodische functie geeft aan wanneer de
tijd van één periode van de periodische functie verlopen
is.
Deze eigenschappen volgen onmiddellijk
uit de definitieformule van de autocorrelatie:
|
Formule 26 |
Indien de periodieke functie zachtjesaan
wijzigt in de tijd, zullen de opeenvolgende maxima stilaan zwakker worden.
De autocorrelatie en andere digitale
algoritmes worden tegenwoordig bijvoorbeeld reeds toegepast voor de automatische
herkenning van muziekstukken, waarbij sequenties en tijden van opeenvolgende
noten automatisch kunnen vastgesteld worden.
Uit de voorbeelden in figuur 23 en
24 moet blijken hoe krachtig en complex het oor in samenwerking met de
hersenen zijn functies vervult, want het oor zal beide klanken ervaren
als gelijke klanken, met een resultaat dat vergelijkbaar is met dat van
de autocorrelatie.
Besluit
Met deze tekst werd gepoogd om op elementaire
wijze een tipje van de sluier te lichten omtrent de wetenschappelijke complexiteit
van de muziek en het muzikaal gehoor.
Gelukkig maar blijft de artistieke
complexiteit in de muziek primeren,
zoals het inderdaad ook
hoort.
Johan Broekaert, juli 2010


|