Volledige
uittreksel van de leerstof voor het BOA examen downloaden: >>
Klik hier <<
Algemeen
De procedure in strafzaken kent de volgende fasen:
voorbereidend onderzoek, onderzoek ter terecht-zitting, beslissing van
de rechter, toepassing van rechtsmiddelen en tenuitvoerlegging van het
vonnis.
Una-via-beginsel:
Voor eenzelfde gedraging kan niet zowel een
bestuurlijke boete als een strafrechtelijke sanctie worden opgelegd.
Absolute competentie:
Regelt de soort rechterlijke instantie die bepaalde strafbare
feiten zal behandelen. Overtredingen worden in principe door de
kantonrechter en misdrijven door de
arrondissementsrechtbank behandeld. Ambtsmisdrijven of
ambtsovertredingen van ministers e.d. worden in eerste aanleg door de HR
behandeld. Deze competentie is geregeld in de Wet op de rechterlijke
organisatie.
Relatieve competentie:
Regelt de aanwijzing voor welk bepaald
gerecht iemand verantwoording moet afleggen. (Bijv. Welke van de 19
arrondissementsrechtbanken). Deze competentie staat o.a. in het Wetboek
van Strafvordering.
Het College van procureurs-generaal (5 pg’s) bepaalt het
landelijke opsporings- en vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie.
Vormt samen met de staf het Parket-Generaal. Dit is het landelijk
hoofdkantoor van het openbaar ministerie.
Opportuniteitsbeginsel:
Dit houdt in dat het openbaar ministerie op
gronden aan het algemeen belang ontleend, van vervolging kan afzien.
Op grond van dit beginsel heeft het openbaar ministerie de bevoegdheid
om een zaak te seponeren zolang het onderzoek ter terechtzitting
nog niet is aangevangen. Een belanghebbende kan daarover beklag
indienen bij het gerechtshof.
De hoofdtaak van het openbaar ministerie (d.i.
de staande magistratuur):
opsporing van strafbare
feiten;
vervolging van strafbare
feiten;
het doen uitvoeren van strafvonnissen.
Kantongerechten >>>
Openbaar ministerie >>> OvJ
Arrondissementsrechtbanken (19) >>> Openbaar
ministerie >>> OvJ
Gerechtshoven (5) >>> Openbaar ministerie
>>> P.G. of A.G
De Hoge Raad der Nederlanden (1) >>> Openbaar
ministerie >>> P.G. en A.G.
Revisie:
Revisie is herziening van een rechterlijke uitspraak. (bijv: als na
veroordeling van een verdachte er omstandigheden aan het licht komen
waaruit blijkt dat de veroordeelde nooit de dader van het strafbare feit
kan zijn geweest) De Hoge Raad is hier mee belast.
De Wet op de rechterlijke organisatie regelt de inrichting,
samenstelling en de bevoegdheden van de gerechten.
De basis voor een deugdelijke rechtspraak is de grondwet.
Het onderzoek ter terechtzitting wordt beschouwd als het belangrijkste
onderdeel van de strafprocedure en wordt geleid door de voorzitter van
het betreffende gerecht.
Vrijspraak:
Als aan de hand van de wettige bewijsmiddelen niet kan worden
bewezen dat de verdachte het feit dat hem tenlaste werd gelegd
heeft gepleegd. Dit betekent niet dat hij het feit niet zou hebben
gepleegd, maar alleen dat e.e.a. niet te bewijzen is.
Ontslag van rechtsvervolging:
Het tenlaste gelegde feit is wel bewezen
maar het blijkt geen strafbaar feit te zijn.
Als de verdachte zich beroept op een strafuitsluitingsgrond, zoals
overmacht, noodweer of een gebrekkige ontwikkeling van zijn
geestesvermogens kan hij ook worden ontslagen van rechtsvervolging.
Verstek, verzet en hoger beroep:
Als de verdachte niet persoonlijk aanwezig was als zijn zaak werd
behandeld en de rechter wel tot een veroordeling komt dan wordt hij
bij verstek veroordeeld. Als de verdachte later achter deze
veroordeling komt dan kan hij verzet aantekenen tegen deze
veroordeling. De zaak wordt hierna door dezelfde rechter opnieuw
behandeld.
Als de verdachte of het openbaar ministerie het niet eens zijn met de
uitspraak dan kunnen ze hiertegen hoger beroep
instellen. Hierna wordt de zaak opnieuw behandeld door een
hoger rechtscollege.
Hoger beroep gaat voor verzet.
Handhaving van de openbare orde en de
hulpverlenende taak:
Het gezag is achtereenvolgens in handen van de
burgemeester, de commissaris van de Koning en
de minister van binnenlandse zaken.
Strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde:
Het gezag is achtereenvolgens in handen van de
officier van justitie, het college van
procureurs-generaal en de minister van justitie.
De rechtsorde bestaat uit twee onderdelen:
1.
orde die de wetgeving in de samenleving
aanbrengt (wetsorde) (deze ligt vast “bij wetgeving”)
2.
orde die de samenleving zelf aanbrengt
(normen en waarden) (dit zijn ongeschreven waarden)
De politie bestaat uit: 25 regionale
politiekorpsen, 1 Korps landelijke politiediensten en bijzondere
ambtenaren van politie.
Politiebevoegdheden:
In principe mag de buitengewoon
opsporingsambtenaar niet de zogenaamde
politiebevoegdheden toepassen. Het Besluit buitengewoon
opsporingsambtenaar bedoelt hiermee het toepassen van geweld
en het instellen van een veiligheidsfouillering.
De minister van justitie kan op basis van de Politiewet 1993 anders
bepalen.
Algemene opsporingsambtenaren:
Buitengewone opsporingsambtenaren:
Officieren van
justitie Personen met op naam
gestelde akte van bevoegdheid
Ambtenaren van politie Personen
met een categoriale aanwijzing
Vrijwillige ambt. v.d. politietaak Personen
belast met toezicht/opsporing op grond van bijzondere wetten
Bijzondere ambtenaren van politie
Koninklijke marechaussee
Pas op de P.G. hoort hier niet bij !!
De wettelijke basis voor de benoeming van een BOA staat in art 142
Wetboek van Strafvordering.
De rechtsgrond waaraan de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn
bevoegdheid kan ontlenen om strafbare feiten op te lossen is de titel
van opsporingsbevoegdheid.
Toezichthouders op de buitengewoon
opsporingsambtenaar:
Het College van procureurs-generaal is belast met toezicht op de
buitengewoon opsporingsambtenaar.
Onder toezicht moet worden verstaan het toezicht op de
opsporingsactiviteiten en het functioneren van de buitengewoon
opsporingsambtenaar als opsporingsambtenaar. Niet de andere activiteiten
of het overig functioneren van die persoon. Voor dit toezicht wijst
de procureur-generaal een toezichthouder en een
direct toezichthouder aan.
Als toezichthouder is een Hoofdofficier van justitie of een
officier van justitie in de politieregio aangewezen. Als de buitengewoon
opsporingsambtenaar bevoegd is in het hele land op te treden dan wijst
de minister van justitie iemand van het openbaar ministerie aan (een
(hoofd) officier van justitie).
Als direct toezichthouder wordt de regiokorpschef aangewezen. Als
de BOA in het hele land zijn bevoegdheden mag uitoefenen dan wijst de
minister van justitie een korpschef aan.
Commune delicten:
Dit zijn strafbare feiten die door iedereen
gepleegd kunnen worden.
Ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen:
Dit zijn strafbare feiten die alleen door een
opsporingsambtenaar gepleegd kunnen worden.
Algemene ambtsplicht en bijzondere ambtsplicht:
Een algemene ambtsplicht is een ambtsplicht
die voor alle ambtenaren geldt.
Een bijzonder ambtsplicht komt voort uit de werkzaamheden die slechts
voor een bepaalde categorie ambtenaren geldt.
Een ambtenaar die een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden komt in
aanmerking voor strafverzwarende omstandigheden. Hieruit mag
worden afgeleid dat het schenden van een algemene ambtsplicht niet in
aanmerking komt voor een zwaardere straf.
Actieve omkoping en passieve omkoping:
Het omkopen van een ambtenaar door een burger
is actieve omkoping en de ambtenaar die zich laat omkopen
is passieve omkoping.
>> Het omkopen van een ambtenaar door een burger wordt
actieve omkoping genoemd.
>> Het aannemen van een gift of de belofte die de burger heeft
gedaan aan de ambtenaar, wetende dat deze is gedaan n.a.v.
hetgeen deze in zijn bediening in strijd met zijn plicht heeft
gedaan of nagelaten wordt passieve omkoping I genoemd.
Het aannemen van een gift of de belofte van een burger, voor wat
de ambtenaar in zijn bediening (werkzaamheden/niet in strijd met zijn
plicht) in de toekomst nog moet doen of nalaten*,
zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen,
wordt passieve omkoping II genoemd
Authentieke akte:
Een authentieke akte moet aan twee
voorwaarden voldoen:
-> De akte moet in de vereiste vorm zijn opgemaakt.
-> De akte moet zijn opgemaakt door een ambtenaar die daartoe
bevoegd was.
De waarde van een authentieke akte is dat, onder andere, de rechter bij
terechtzittingen zonder meer mag aannemen dat wat in de authentieke akte
staat, waar is.
Huisvredebreuk:
Onder het begrip huisvrede worden de volgende zaken verstaan:
-
Woning. Bijv.: woonwagens,
tenten en een hotelkamer
-
Besloten lokaal. Bijv.: schuren,
scholen, bedrijfsruimten, kerken, cafe's, winkels e.d.
-
Besloten erf. Bijv.: een stuk
grond dat is afgescheiden door een omheining en waarop de eigenaar
te zijner tijd een woning zal of kan bouwen is een besloten erf.
De
woning, besloten lokaal of besloten erf moet bij een ander in
gebruik zijn.
Ambtelijke huisvredebreuk en diens ondanks
binnentreden:
Diens ondanks binnentreden heeft de betekenis
van binnentreden zonder toestemming van de rechthebbende. Het heeft
dezelfde betekenis als ambtelijke huisvredebreuk. Ambtelijke
huisvredebreuk is een ambtsmisdrijf. Het kan alleen door een
ambtenaar gepleegd worden.
Strafrecht
Het strafrecht wordt onderscheiden in het zogenaamde materiële
strafrecht en het formele strafrecht.
Het materiële strafrecht regelt zaken als strafbaarheid van de
handeling, wie strafbaar is, welke straf daarop staat, welke
omstandigheden de strafmaat beïnvloeden e.d. Het Wetboek van
Strafrecht neemt een centrale plaats in.
Het formele strafrecht gaat over procedures die gevolgd moeten
worden als iemand een misdrijf of een overtreding heeft begaan. Het
formele strafrecht wordt ook wel procesrecht of strafvordering
genoemd. Het Wetboek van Strafvordering neemt een centrale plaats
in.
Materiële strafrecht
Het Wetboek van Strafrecht is ingedeeld in drie delen deze delen worden
boeken genoemd t.w.:
Boek 1: Algemene Bepalingen
Boek 2: Misdrijven
(rechtsdelicten >> altijd opzet vereist)
Boek 3: Overtredingen (wetsdelicten)
Strafverzwaring en strafvermindering:
-
Bijzondere ambtsplicht schenden en gebruik van macht,
gelegenheid of middel door zijn ambt geschonken >>
straf wordt, met uitzondering van geldboete, met 1/3 verhoogd.
-
Verrichten van voorbereidingshandelingen (misdrijf)
>> straf wordt met 1/2 verminderd.
-
Medeplichtigheid (verricht geen
uitvoeringshandelingen) >> straf wordt met 1/3 verminderd.
Legaliteitsbeginsel
Het legaliteitsbeginsel, ook wel Nulla Poena beginsel genoemd, bepaalt
dat een wet eerst een strafbepaling moet bevatten voordat iemand die
wet kan overtreden. Straffen met terugwerkende kracht is niet
mogelijk. Een verdachte zal nooit nadeel kunnen ondervinden van het feit
dat wetten veranderen.
Slotbepaling
De slotbepaling van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht zegt
dat de Titels I tot en met VIII A ook van toepassing zijn op andere
wetten en verordeningen waarop straf is gesteld, tenzij deze wet anders
bepaalt. Dit betekent dat deze bepalingen ook voor de andere wetgevers
gelden, zoals de provinciale staten, de gemeenteraad e.d. en dat zij
daar niet van af mogen wijken. Deze Slotbepaling geldt slechts voor die
wetten en verordeningen die strafbepalingen bevatten.
Tenzij de wet (d.i.
een formele wet) anders bepaalt betekent, dat hoogste wetgevende
macht in Nederland, de regering en de Staten-Generaal, wel van deze
bepaling mag afwijken.
Territorialiteitsbeginsel
Dit wil zeggen dat het Wetboek van Strafrecht in principe van toepassing
is op iedereen die zich in Nederland (ons territorium, het grondgebied
van Nederland) schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Het gewoonterecht (ongeschreven wetten) is geen basis voor het
strafrecht.
De opbouw van een wettelijke strafbepaling:
Een artikel is opgebouwd uit de volgende
onderdelen:
·
norm (d.i.
de eigenlijke delictsomschrijving, de omschrijving van het strafbare
feit) De onderdelen waarin de norm kan worden opgesplitst worden
bestanddelen genoemd. Elk van deze bestanddelen moet worden bewezen.
·
sanctie
(dit geeft aan welke straf op overtreding van het artikel staat)
·
kwalificatie
(de kwalificatie geeft soms een naam aan het strafbare feit)
Ambtshalve vervolgbare delicten en op klachte vervolgbare delicten
Bij ambtshalve vervolgbare delicten kan het openbaar ministerie
zelfstandig ingrijpen als een persoon een strafbaar feit pleegt,
desnoods tegen de wil van de benadeelde. Bij op klachte vervolgbare
delicten kan een opsporingsonderzoek zonder een klacht in principe
niet worden ingesteld.
Absolute en relatieve klachtdelicten
Er is een aantal misdrijven, waarbij met een aangifte niet kan worden
volstaan, maar ten aanzien van welke een klacht moet worden ingediend.
Zonder deze klacht kan geen opsporingsonderzoek worden ingesteld. Een
klacht is een aangifte met het verzoek tot vervolging.
Bij absolute klachten delicten is de klacht altijd nodig
(bijvoorbeeld eenvoudige belediging).
Bij relatieve klachtendelicten is in de regel geen klacht
vereist. Deze zal alleen nodig zijn als er tussen de dader of de
medeplichtige en de benadeelde een bepaalde graad van verwantschap
bestaat.
Een valse aangifte of klacht is strafbaar. Een
valse aangifte of klacht van een niet-strafbaar feit is
niet strafbaar.
Tot het ontvangen van een klacht is
elke Officier en elke hulpofficier van justitie bevoegd en verplicht.
Een klacht kan tot 8 dagen na haar indiening worden ingetrokken.
Een aangifte kun je niet intrekken.
Schuld
Onder het juridische begrip schuld in ruime zin vallen zowel
opzet* (opzetmisdrijven) als schuld in enge zin*.
Opzettelijk wil zeggen dat de verdachte het strafbare feit
willens en wetens moet hebben gepleegd. Bij schuld in
enge zin is er sprake van
schuld ten gevolge van een handeling of een verzuim waardoor iets volgt
dat diegene niet heeft gewild (ongewilde gevolgen).
*Opzet --> Opzet als oogmerk
--> Opzet als zekerheidsbewustzijn
--> Opzet als mogelijkheidsbewustzijn
*Schuld in enge zin
--> Bewuste schuld
--> Onbewuste schuld
Bij overtredingen hoeft de schuldvraag niet te
worden gesteld. Schuld wordt aangenomen tot
het tegendeel
aannemelijk is.
Poging
Een poging tot een misdrijf is strafbaar, een poging tot een
overtreding is in principe niet strafbaar. In bijzondere wetten kan
de wetgever dit wel strafbaar stellen (vissen zonder vergunning, vogels
vangen).
Vrijwillige terugtrekking
van de dader brengt straffeloosheid met zich mee.
Om strafbaar te zijn voor een poging tot misdrijf moet de dader een
uitvoeringshandeling hebben verricht. Het treffen van
voorbereidingen tot het begaan van een misdrijf is alleen strafbaar als
het gaat om een misdrijf waar meer dan 8 jaar gevangenisstraf op is
gesteld.
Een deelnemer aan een strafbaar feit kan strafbaar zijn in de
hoedanigheid van dader* of
medeplichtige*.
*Daders
Vier groepen personen kunnen als dader worden
gestraft:
----> plegers (pleegt
het strafbare feit helemaal alleen)
----> doen plegers
(er zijn hier twee daders de intellectuele dader, hij is op het idee
gekomen, en de materiële dader, hij voert het feit uit. Kenmerk van het
doen plegen is dat van deze twee daders er slechts één strafbaar mag
zijn, namelijk de intellectuele dader. De materiële dader moet gehandeld
hebben zonder opzet of schuld.)
---> medeplegers (er
zijn hier twee daders die beiden strafbaar zijn. In bewuste samenwerking
met anderen het mede
uitvoeren van een strafbaar feit. Het is a.h.w. een optelsom)
---> uitlokkers (er zij minimaal twee daders,
de intellectuele dader en de materiële dader. Bij uitlokking moeten
beide daders strafbaar zijn. De intellectuele dader is degene die een
ander willens en wetens uitlokt om een feit te plegen en de materiële
dader is degene die uitgelokt wordt en het feit pleegt.)
*Medeplichtigen
Medeplichtigheid kan in principe alleen
bij misdrijven. Het initiatief gaat bij
medeplichtigheid altijd van een ander uit! De maximum
gestelde hoofdstraf wordt bij medeplichtigheid met éénderde verminderd.
Bij medeplichtigheid is de verdachte strafbaar als hij òf
ondersteuningshandelingen òf voorbereidings-handelingen verricht.
Het gaat er bij medeplichtigheid juist om dat de medeplichtige
geen uitvoeringshandelingen mag verrichten.
Strafuitsluitingsgronden
Þ
ontoerekenbaarheid
(de verdachte heeft het feit wel gepleegd maar er valt hem vanwege
gebrekkige ontwikkeling- of ziekelijke stoornis van de geestvermogens
geen verwijt te maken)
Þ
overmacht
(overmacht in ruime zin is te onderscheiden in overmacht in enge zin {de
dader/slachtoffer kan zich niet verzetten tegen de kracht, drang of
dwang die door een derde persoon tegen hem wordt uitgeoefend} en
noodtoestand {het verschil tussen noodtoestand en (relatieve) overmacht
in enge zin is dat hier geen derde persoon de kracht, drang of dwang
uitoefent. Bij noodtoestand pleegt iemand een strafbaar feit door de
dwang van de omstandigheden})
Þ
noodweer
(van noodweer is sprake als iemand zich tegen een aanvaller verdedigt.
De aanvaller moet dan wel ogenblikkelijk en wederrechtelijk te werk zijn
gegaan en de verdediging moet binnen bepaalde proporties zijn gebleven.
Ze moet geboden en noodzakelijk zijn. Als de verdediging te sterk in
uitgevoerd kan men zich eventueel nog beroepen op noodweerexces.
Dit is alleen toegestaan als deze overschrijding een onmiddellijk gevolg
is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door aanranding is
veroorzaakt.)
Þ
uitvoering van een wettelijk
voorschrift (twee geschreven regels komen
met elkaar in botsing)
Þ
uitvoering van een ambtelijk bevel
(een ambtelijk bevel is een mondelinge of schriftelijke opdracht van
iemand of van een instantie die deze opdracht mocht geven)
Samenloop
Twee strafbepalingen:
Ééndaadse samenloop -
de strafbare gedraging kan dan onder de werking van meer dan één artikel
worden ondergebracht. Slechts één van deze bepalingen wordt toegepast,
bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.
Twee strafbepalingen:
Als een strafbaar feit onder een algemene strafbepaling valt, maar voor
het feit is ook een bijzondere strafbepaling geschreven dan gaat de
bijzondere strafbepaling voor de algemene strafbepaling.
Jeugdige personen
00-12 jaar Deze groep kan niet vervolgd
worden. Het instellen van een opsporingsonderzoek is wel mogelijk.
12-18 jaar Deze groep valt onder het jeugdstrafrecht.
Verdachte
Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is
aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of
omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig
strafbaar feit voortvloeit. Daarna wordt als verdachte aangemerkt degene
tegen wie de vervolging is gericht. De verdachte is de belangrijkste
persoon in het Wetboek van Strafvordering.
Factoren die een “redelijk” schuldvermoeden bepalen zijn de:
*
concrete factor Het
vermoeden moet gebaseerd zijn op feiten of omstandigheden.
*
objectieve factor Het
vermoeden moet redelijk zijn.
*
specifieke factor
Het vermoeden moet betrekking hebben op een bepaald strafbaar feit.
Opsporingsbevoegdheden en toezichtsbevoegdheden
Opsporingsbevoegdheden kunnen alleen
worden toegepast als er een redelijk vermoeden bestaat dat een
strafbaar feit gepleegd is of wordt gepleegd (redelijke verdenking of
een concrete verdenking).
Toezichtsbevoegdheden
(Algemene wet bestuursrecht) dit zijn alle bevoegdheden van iemand die
als toezichthouder voor een bepaalde wet is aangewezen (tot 1-1-’98
controlebevoegdheden) Dit is nog de fase waarin nog niets aan de hand is
(geen verdenking).
Wetmatig en rechtmatig
Als een opsporingsambtenaar een artikel kan aanwijzen waarop zijn
optreden berustte dan is zijn optreden
wetmatig.
Als zijn optreden voldoet aan de zogenaamde
beginselen van een behoorlijke procesorde dan is zijn optreden ook
rechtmatig.
De volgende beginselen zijn van belang voor
een rechtmatig optreden (behoorlijke procesorde):
-
het proportionaliteitsbeginsel. De
bevoegdheid die de opsporingsambtenaar uitoefent moet in verhouding
staan tot het doel.
-
het subsidiariteitsbeginsel. Doel bereiken
op de manier die het minst ingrijpend is. (Bijv: als de persoon
meerdere verdedigingsmiddelen tegen een aanvaller tot zijn
beschikking heeft moet hij de minst ingrijpende gebruiken)
-
fair play. De opsporingsambtenaar moet
voor het bereiken van zijn doel de verdachte eerlijk behandelen.
-
verbod van misbruik van bevoegdheden/détournement de pouvoir.
(De opsporingsambtenaar mag geen bevoegdheden uit een wet gebruiken
om een doel uit een andere wet te bereiken.)
Als er
sprake is van onrechtmatig optreden dan is er sprake van onrechtmatig
verkregen bewijs.
Medewerking door verdachte
De verdachte moet toelaten dat de
opsporingsambtenaar zijn bevoegdheden uitoefent. Men noemt dit de
zogenaamde gedoogplicht. Verzet hij zich hierbij met geweld dan
zal hij zich schuldig maken aan het misdrijf
wederspannigheid.
Vrijwilligheid
Eisen voor de vrijwillige medewerking zijn:
==> de toestemming moet blijken.
==> de betrokkene moet zich bewust zijn van het feit dat hij van
bepaalde rechten afziet.
==> de toestemming moet in vrijheid zijn gegeven.
Voortgezette toepassing
Treft de opsporingsambtenaar bij een
rechtmatig ingestelde bevoegdheid toevallig (en ongezocht) ander
bewijsmateriaal aan, dan is ook dat rechtmatig aangetroffen
(Geweerarrest).
Ambtsdwang en wederspannigheid
Als een ambtenaar door geweld of bedreiging
wordt gedwongen tot het volvoeren van een ambtsverrichting of het
nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting en de ambtenaar is niet met
het uitoefenen van een bevoegdheid bezig (inactief of lijdelijk) dan is
er sprake van ambtsdwang. Als hij wel bezig is met het
rechtmatig uitoefenen van een bevoegdheid en wordt er dan tegen de
persoon van de ambtenaar geweld gebruikt dan is de dader strafbaar voor
het misdrijf wederspannigheid (opzetmisdrijf). Ook burgers die
krachtens een wettelijke verplichting of op verzoek van de ambtenaar
bijstand verlenen vallen onder de bescherming van het misdrijf
wederspannigheid.
Verzet tegen een ambtenaar die een onrechtmatige ambtshandeling verricht
is niet strafbaar.
Ook lijdelijk verzet is niet strafbaar, de verdachte hoeft
namelijk aan zijn onderzoek niet mee te werken.
Beletten, belemmeren en
verijdelen – verzet tegen ambtenaar
Het is verboden om een ambtenaar die een wettelijk voorschrift uitvoert,
daarin te beletten (de ambtshandeling wordt voorkomen of
onmogelijk gemaakt), te belemmeren (de ambtshandeling wordt
bemoeilijkt, zonder dat deze onmogelijk wordt gemaakt) of deze
handelingen te verijdelen (de ambtshandeling wordt krachteloos
gemaakt).
Hierbij moet de handeling zijn ondernomen ter uitvoering van een
wettelijk voorschrift.
Belediging
Eenvoudige belediging
is het opzettelijk aanranden (aantasten of krenken) van iemands eer of
goede naam. Deze misdrijven zijn absolute klachtsmisdrijven. Een
uitzondering hierop is de belediging van een ambtenaar in
functie gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van
zijn bediening, dit is namelijk een zogenaamd ambtshalve vervolgbaar
delict.
Staande houden
Iedere opsporingsambtenaar (hij moet wel met
de opsporing van dat strafbare feit zijn belast) is bevoegd om een
verdachte staande te houden. Staande houden wil zeggen kort ter
plaatse houden, wanneer de verdachte zich tracht te verwijderen kan
de opsporingsambtenaar hem tot staande blijven dwingen. De verdachte is
niet verplicht om op de gestelde identiteitsvragen antwoord te geven.
Onder een aantal voorwaarden mag de opsporingsambtenaar de verdachte aan
de kleding onderzoeken en ook zijn bagage om zijn identiteit vast te
stellen. Als dat geen succes oplevert kan hij de verdachte aanhouden en
voorgeleiden aan de (hulp)officier van justitie, mits de verdachte op
heterdaad is betrapt, of wordt verdacht van een feit waarop voorlopige
hechtenis is toegelaten. Weigering is niet strafbaar. Het opgeven van
verkeerde identiteitsgegevens is wel strafbaar.
In officiële stukken, zoals het proces-verbaal van een buitengewoon
opsporingsambtenaar, moet de gehuwde vrouw met haar eigen naam worden
vermeld.
Een minderjarige moet v.w.b. de woonplaats de wettelijke
vertegenwoordiger volgen.
Een getuige mag niet worden staande gehouden.
Aanhouden
De Grondwet schrijft voor dat buiten de gevallen bij of krachtens de wet
bepaalt niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen. Het principe hiervan
is dat e.e.a. alleen is toegestaan als een
rechter het bevel hiervoor heeft gegeven.
Aanhouden bij ontdekking op heterdaad
Een ieder (opsporingsambtenaar en burger) die
een strafbaar feit op heterdaad ontdekt heeft de bevoegdheid om de
verdachte aan te houden. Dit geldt zowel voor
ontdekking op heterdaad van een misdrijf als van een overtreding.
Uit een uitspraak van de Hoge Raad blijkt dat heterdaad zich uitstrekt
over een periode van bijna 30 uren.
Aanhouden bij ontdekking buiten heterdaad
Opsporingsambtenaren mogen dit uitsluitend doen als het optreden van de
officier van justitie of de hulpofficier van justitie niet kan worden
afgewacht. Het kan dan alleen voor strafbare feiten waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten (dit is in ieder geval
toegelaten voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van 4 jaar of meer
is gesteld, bijvoorbeeld verduistering, oplichting, flessentrekkerij
e.d.) en voor het opgeven van valse
identiteitsgegevens.
Binnentreden ter aanhouding van een verdachte:
|
bevoegd
zijn |
tijdstip |
op welke
plaatsen |
voor welke
feiten |
|
Opsporings-ambtenaren |
aanhouding op
heterdaad |
alle plaatsen (ook een
woning zonder toestemming van de bewoner*) |
alle misdrijven en
overtredingen |
|
Opsporings-ambtenaren
Pas op** |
aanhouding buiten
heterdaad |
alle plaatsen,
uitgezonderd de drie plaatsen uit art 12 AWBi*** (ook een
woning zonder toestemming van de bewoner*) |
feiten waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten en het opgeven van valse
identiteitsgegevens |
|
Burgers |
aanhouding op
heterdaad |
alle plaatsen
uitgezonderd woningen zonder toestemming van de bewoner en de
drie plaatsen uit art 12 AWBi***. |
Uitsluitend voor
misdrijven |
* Onder de
voorwaarden van de Algem. wet op het binnentreden(legitimeren + doel
binnentreden mededelen)
**
Opsporingsambtenaren mogen dit alleen doen als optreden van de
(hulp)officier van justitie niet kan worden afgewacht.
*** Artikel 12 AWB
betreft enkele plaatsen met een bijzondere bescherming t.w.:
a)
vergaderruimten v.d. Staten-Generaal,
provinciale staten, gemeenteraad e.d. gedurende de vergadering;
b)
ruimten voor godsdienstoefeningen e.d.
gedurende de godsdienstoefening of de bezinningssamenkomst;
c)
in ruimten waar terechtzittingen woeden
gehouden, gedurende de terechtzitting.
Ophouden voor verhoor
De verdachte mag voor het (eerste) verhoor niet langer dan 6 uren
worden opgehouden, met dien verstande dat de uren tussen 24.00
uur (=middernacht) en 09.00 uur niet worden meegerekend. De termijn
van het ophouden voor verhoor begint op het ogenblik dat h(ovj)
beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek (nieuw).
Als de eerste termijn van maximaal 6 uren ontoereikend is voor het
vaststellen van de identiteit van de verdachte dan kan deze gedurende
ten hoogste 6 uren worden opgehouden op bevel van de (hulp)officier van
justitie.
De verdachte kan alleen worden opgehouden ter identificatie als hij
verdacht wordt van een strafbaar feit waarop geen voorlopige hechtenis
is toegelaten (is dit wel toegelaten dan is dit dwangmiddel overbodig).
Rechten verdachte bij het verhoor
--> Niet tot antwoorden
verplicht/zwijgrecht/cautie.
--> Bijstand van een raadsman.
--> Kennisneming van bepaalde processtukken.
Bijstand van een raadsman
Ingevolge de bepaling van artikel 50 WvS heeft
de raadsman:
a)
vrije toegang tot de verdachte,
die rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
b)
het recht hem alleen te spreken;
c)
het recht brieven met hem te wisselen,
zonder dat van de inhoud daarvan door anderen wordt kennis genomen.
Dit verkeer is aan drie beperkingen
onderworpen:
1.
het geschiedt
onder het vereiste toezicht;
2.
het vindt plaats met inachtneming van de
huishoudelijke reglementen van de betrokken bewaarinstelling;
3.
het onderzoek mag daardoor
niet worden opgehouden.
Fouillering
==>>Ter inbeslagneming van voorwerpen ook wel
strafvorderlijke fouillering genoemd.
Dit onderzoek moet in de eerste plaats de
waarheidsvinding tot doel hebben.
Voorwaarden voor het onderzoek aan kleding en/of lichaam zijn:
--> er
moet sprake zijn van een aangehouden
verdachte
--> tegen
de verdachte moeten ernstige bezwaren bestaan
De
officier of de hulpofficier van justitie mogen de verdachte aan lichaam
of kleding onderzoeken of doen onderzoeken.
De overige opsporingsambtenaren hebben in principe alleen de bevoegdheid
tot onderzoek aan de kleding van de verdachte,
tenzij op last van de officier of de hulpofficier van justitie.
Andere wetten kunnen deze opsporingsambtenaren wel deze bevoegdheid
geven (bijv: opiumwet).
Tot de kleding wordt niet gerekend de bagage (tassen,
koffers e.d.) die de verdachte met zich voert.
De strafrechtelijke fouillering mag op elke plaats gebeuren.
==>>Ter vaststelling van de identiteit.
Er moet sprake zijn van een verdachte die is
staande of aangehouden.
Voor feiten waarop geen voorlopige hechtenis is toegelaten
mag een verdachte langer dan 6 uur worden opgehouden
om de identiteit vast te stellen.
Voor tot fouillering wordt overgegaan moet eerst aan de verdachte worden
gevraagd of hij bereid is om vrijwillig eventuele voorwerpen of
bescheiden waaruit zijn identiteit zou kunnen blijken ter inzage af te
geven.
Bij deze bevoegdheid is naast onderzoek aan de kleding uitdrukkelijk
opgenomen het onderzoek van de voorwerpen die de
verdachte bij zich draagt of voert. Daaronder vallen niet alleen de
bagage, zoals tassen, koffers rugzakken e.d., maar ook de voorwerpen die
bij het onderzoek aan de kleding worden aangetroffen zoals agenda’s en
portefeuilles.
De fouillering ter vaststelling van de identiteit mag niet openbaar
gebeuren.
Alle algemene opsporingsambtenaren alsmede bepaalde door de minister van
justitie aangewezen categorieën andere personen die met de opsporing van
strafbare feiten zijn belast hebben deze bevoegdheid.
Onderzoek aan de kleding houdt ook in
“onderzoek in de kleding”
Inbeslagneming
Inbeslagneming is een dwangmiddel dat gericht
is tegen goederen en niet tegen de persoon.
Eigendom, bezit en houderschap
Eigendom is het meest omvattende recht dat
een persoon op een zaak kan hebben.
Iemand die eigenaar is van een zaak heeft het recht om van deze zaak
vrij gebruik te maken met uitsluiting van iedereen.
Bezit is een feitelijke toestand, de bezitter heeft de zaak in
zijn feitelijke macht.
Het is het houden van een zaak voor zichzelf. Bij het houderschap
gaat het ook om een feitelijke situatie.
De houder heeft een zaak onder zich, terwijl een ander daarvan de
bezitter is. In dit geval spreekt men van middellijk bezit.
Inbeslagneming
Onder inbeslagneming verstaan we het
onder zich nemen of gaan houden van enig voorwerp ten behoeve van de
strafvordering.
Opsporingsambtenaren kunnen voorwerpen in beslag nemen die:
-
de waarheid aan het licht kunnen brengen
in het onderzoek;
-
het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen
aantonen;
-
de rechter verbeurd kan verklaren
of aan het verkeer kan onttrekken (dit zijn
sancties v.d. strafrechter).
Verbeurdverklaring is een bijkomende straf,
die wordt opgelegd om de dader wegens zijn vergrijp pijnlijk te
treffen.
Onttrekking is een
maatregel die de strafrechter oplegt teneinde de samenleving te
beveiligen of de toegebrachte schade
weg te nemen.
Bij inbeslagneming bij ontdekking op heterdaad kunnen
opsporingsambtenaren en burgers voor inbeslagneming vatbare voorwerpen
die de verdachte met zich voert op elke plaats (dit zijn alle
besloten plaatsen, waaronder ook, onder bepaalde voorwaarden, de woning)
in beslag nemen. Een burger is niet bevoegd om ter inbeslagneming bij
ontdekking op heterdaad een woning te betreden.
Het betreden van plaatsen
In beginsel is ieder lid van de huishouding gerechtigd de toegang tot de
woning aan derden te ontzeggen.
Daarbij is het niet van belang of deze bewoner meerderjarig of
minderjarig is.
Het verbod prevaleert boven de toestemming om een woning te betreden.
Een logé en een niet-inwonende huishoudelijke hulp zijn geen bewoners,
omdat van hen niet gezegd kan worden dat zij de woning in gebruik hebben
om daar hun privé huiselijk leven te leiden. Het zou wel kunnen zijn dat
zij optreden als vertegenwoordiger van de bewoner en dat de
opsporingsambtenaar met hun weigering rekening moet houden.
Op
grond van art 1, lid 1 van de AWB is de opsporingsambtenaar voor het
binnentreden van woningen verplicht zich voorafgaand te legitimeren
en mededeling te doen van het doel van zijn binnentreden.
Als een opsporingsambtenaar een woning, zonder toestemming van de
bewoner wil betreden, dient hij in het bezit te zijn van een
schriftelijke machtiging. Rechters, rechterlijke colleges, leden van
het openbaar ministerie en Burgemeesters en soms een Gerechtsdeurwaarder
zijn bevoegd om zonder machtiging in een woning, zonder toestemming van
de bewoner, binnen te treden. In noodsituaties is het de
opsporings-ambtenaar toegestaan een woning te betreden zonder
toestemming van de bewoner en zonder schriftelijke machtiging. Zijn
binnentreden is dan geoorloofd op grond van een beroep op
overmacht en/of noodweer.
Pas op: De
bevoegdheid om woningen te betreden zonder toestemming van de
bewoner is niet te vinden in de Algemene wet op het binnentreden.
Als in een andere wet deze bevoegdheid wordt verleend, dan geeft de
Algemene wet op het binnentreden de voorwaarden aan waaraan
voldaan moet worden.
Personen die bevoegd zijn om een machtiging af
te geven
Degenen die bevoegd zijn om een machtiging
af te geven zijn de:
·
procureur-generaal bij het gerechtshof;
·
officier van justitie;
·
hulpofficier van justitie.
De
burgemeester van een gemeente is bevoegd voor
niet-strafrechtelijke doeleinden een machtiging af te geven, zoals
bijvoorbeeld in het geval een psychiatrisch patiënt in een ziekenhuis
moet worden opgenomen.
De geldigheidsduur van deze machtiging is ten hoogste 3 volle dagen (=
tot 24.00 uur)
Proces-verbaal
Discretionaire bevoegdheid
De beslissingsvrijheid van de individuele opsporingsambtenaar om na het
constateren van een strafbaar feit te beslissen om wel of geen
proces-verbaal op te maken noemt men ook wel discretionaire
bevoegdheid.
Doel van het proces-verbaal
1.
Ovj het mogelijk maken om ter zake een
gepleegd strafbaar feit een vervolging in te stellen.
2.
De rechter het mogelijk maken een
beslissing te nemen omtrent de strafbaarheid van de verdachte(n).
Het
strafbare feit
Een
strafbaar feit is een wederrechtelijke, aan schuld te wijten uiting van
menselijk gedrag die gedekt wordt door een delictomschrijving.
Het bevel tot inverzekeringstelling wordt afgegeven voor een
termijn van 3 x 24 uur.
De inverzekeringstelling kan eventueel nog
met 3 dagen worden verlengd. |